Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters

Gedragsstoornissen (ODD/CD) bij kinderen

Het is eigen aan kinderen om zich soms tegen volwassenen te verzetten. Ook liegen, vechten en anderen pesten komen wel eens voor bij zich normaal ontwikkelende kinderen. Als het gedrag van een kind echter over de grenzen van andere kinderen of leerkrachten gaat, of het kind overduidelijk conflicten met algemeen geldende normen of autoriteitspersonen heeft, kan er sprake van een gedragsstoornis. De gedragsstoornissen ‘oppositionele-opstandige stoornis’ (ODD) en een ‘normoverschrijdend-gedragsstoornis’ (CD) komen het meest voor. Deze tekst beschrijft de kenmerken van een gedragsstoornis bij kinderen en biedt leerkrachten handvatten voor het ondersteunen van en omgaan met deze kinderen.

In de geestelijke gezondheidszorg (ggz) worden gedragsstoornissen aangeduid met deze Engelse, wetenschappelijke namen:

  • Oppositional Defiant Disorder (ODD): oppositionele-opstandige stoornis.
  • Conduct Disorder (CD): normoverschrijdend-gedragsstoornis.

Kinderen met ODD of CD gedragen zich gedurende langere tijd herhaaldelijk tegendraads (ODD), antisociaal (CD) of agressief. Ze zetten zich af tegen autoriteit en hun gedrag is ontregelend, storend, ergernis oproepend, boos en opstandig. Leerkrachten typeren dit vaak als ‘vervelend gedrag’. Als dit gedrag bovendien een nadelige invloed heeft op het dagelijks leven van het kind – thuis, op school, met vriendjes – is er waarschijnlijk sprake van een van beide gedragsstoornissen.

Voorheen werden de oppositionele-opstandige stoornis (ODD) en de normoverschrijdend-gedragsstoornis (CD) omschreven als disruptieve gedragsstoornissen in samenhang met ADHD. Tegenwoordig worden ODD en CD gerangschikt onder een aparte groep stoornissen, waaronder ook stoornissen van de impulscontrole.

Terug naar boven
Terug naar boven
Terug naar boven

Wat kan ik als leerkracht doen?

TRF voor zes- tot achttienjarigen en TRF voor anderhalf- tot vijfjarigen
De gedragsvragenlijst voor kinderen, ‘informatie leerkracht’ (Teacher’s Report Form for Ages 6-18, ages 1½-5)is een vragenlijst waarop leerkrachten vragen kunnen beantwoorden over schoolwerk, functioneren en emotionele en gedragsproblemen. Ook kunnen leerkrachten scores op schoolvorderingstoetsen en intelligentietests vermelden. De TRF omvat 118 probleemvragen waarvan 93 ook in de CBCL/6-18 voorkomen. De andere vragen gaan over gedrag dat ouders niet goed kunnen waarnemen. Denk daarbij aan:

  • vindt het moeilijk om aanwijzingen op te volgen,
  • stoort andere leerlingen,
  • veroorzaakt onrust in de klas.

De scores op de probleemschalen normafwijkend en agressief gedrag kunnen worden gebruikt als screening voor ODD en CD bij de kinderen van zes tot achttien, de score op de schaal agressief gedrag kan worden gebruikt bij de screening van kinderen jonger dan zes, maar ook om vast te stellen in hoeverre sprake is van gedragsstoornissen.

SNAP-IV
De Swanson Nolan and Pelham-IV-lijst (SNAP-IV) is een vragenlijst voor ouders en leerkrachten en meet op een vierpuntsschaal de ernst van ADHD- en ODD/CD-symptomen. De lijst bestaat uit negentig items, maar is ook in verkorte versie van 26 items te gebruiken. Het instrument kan gebruikt worden voor de evaluatie van het effect van behandeling.

Terug naar boven

Wat doet de behandelaar?

Bij de screening en het diagnostiekonderzoek kan de kinder- en jeugdpsychiater gebruikmaken van de volgende vragenlijsten en onderzoeksinstrumenten.

CBCL (Child Behavior Check List) voor zes- tot achttienjarigen
De gedragsvragenlijst voor kinderen van zes tot achttien jaar (CBCL/6-18, Child Behavior Checklist for Ages 6-18) is een vragenlijst waarop ouders (of andere volwassenen die een kind goed kennen) vragen kunnen beantwoorden over vaardigheden en gedrag van een kind. De scores op de probleemschalen normafwijkend gedrag en agressief gedrag kunnen zowel worden gebruikt als eerste screening voor ODD en CD, als voor het vaststellen van wat er aan de hand is en in welke mate.

CBCL voor anderhalf- tot vijfjarigen
De gedragsvragenlijst voor kinderen van anderhalf tot vijf jaar (CBCL/1½-5, Child Behavior Checklist for Ages 1½-5) is een vragenlijst waarop ouders (of andere volwassenen die een kind goed kennen) vragen kunnen beantwoorden over gedrag, moeilijkheden en goede dingen van een kind. De score op de probleemschaal agressief gedrag kan zowel gebruikt worden als screening voor ODD en CD als voor het vaststellen van wat er aan de hand is en in welke mate.

YSR voor elf- tot achttienjarigen
De zelf in te vullen vragenlijst voor elf- tot achttienjarigen (Youth Self-Report for Ages 11-18, YSR) is een vragenlijst waarop jongeren vragen over zichzelf kunnen beantwoorden. Het gaat daarbij voornamelijk om vaardigheden en emotionele en gedragsproblemen. Veel van deze vragen zijn hetzelfde als op de CBCL/6-18, aangevuld met veertien vragen naar sociaal wenselijk gedrag, waarop de meeste jongeren positief antwoorden. De score op de probleemschaal agressief gedrag kan worden gebruikt als screening voor ODD en CD, maar ook voor het vaststellen van wat er aan de hand is en in welke mate.

MOAS
De Modified Overt Agression Scale (MOAS) is ontworpen als een beschrijvend instrument om nauwkeurig en betrouwbaar verschillende vormen van agressie te meten zoals die voorkomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Er zijn vier categorieën van agressief gedrag en elke categorie bevat vier vermeldingen die toenemen in hevigheid. Het instrument kan gebruikt worden voor de evaluatie van het effect van behandeling.

DISC-IV
Voor diagnostiek ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek is er de DISC-IV (Diagnostic Interview Schedule for Children), een gestructureerd interview, af te nemen bij de ouders of het kind. Afhankelijk van het onderzoeksdoel kan men zich beperken tot de ODD- en CD-modulen, dan wel de modulen voor comorbide stoornissen.

Terug naar boven
Terug naar boven

passend onderwijs.

Sociale uitsluiting

Bij kinderen met een gedragsstoornis is de kans groot dat anderen het kind zacht gezegd ‘niet aardig’ vinden. Het irritante, provocerende en antisociale gedrag kan gemakkelijk leiden tot sociale uitsluiting uit de groep of althans tot een grotere afstand tussen het kind en zijn leeftijdsgenoten op school (de ‘gelijken’ van het kind, professionals gebruiken daarvoor de Engelse term ‘peers’). Deze afstoting door de groep wordt peer rejection genoemd. Kinderen die daar slachtoffer van zijn – bijvoorbeeld door hun irritante gedrag – lopen een veel grotere kans op schoolfalen (slechte resultaten, blijven zitten, niet afmaken van een opleiding), maatschappelijk ontsporen (crimineel gedrag) en andere sociale en psychische problemen op latere leeftijd (depressie, eenzaamheid). Ook kan sociale uitsluiting een onveilig gevoel versterken en het antisociale of agressieve gedrag doen toenemen. Leerkrachten kunnen kinderen betrekken bij de groep en de verbondenheid met hun peers stimuleren.

Ook de leerkracht kan enerzijds verleid worden om het kind te veroordelen om zijn gedrag of het ‘op te nemen voor de rest van de klas’, maar aan de andere kant kan de leerkracht een belangrijke rol spelen om de plaats van dit kind in de groep te beschermen, zodat zijn ontwikkelingskansen zo veel mogelijk intact blijven. Een belangrijke rol voor de leerkracht is weerstaan van de provocaties van kinderen met gedragsproblemen – het kind ‘aardig blijven vinden’ – en werken aan het behoud van goede relaties in de groep.

Ten slotte bestaat het risico dat kinderen met gedragsproblemen en stoornissen, vooral na twaalf jaar, elkaar opzoeken en met elkaar praten over regelovertredend gedrag. Dit gedrag wordt op die manier positief bekrachtigd. Dit van elkaar leren van de verkeerde dingen wordt ‘deviancy training’ genoemd. Hierdoor neemt het risico toe van het gebruik van geweld, delinquent gedrag en het begin van drugsgebruik.

Samenwerking met ouders

Een goede samenwerking tussen ouders en leerkrachten is in het belang van de ontwikkeling van ieder kind, maar bij kinderen met gedragsstoornissen is deze samenwerking extra belangrijk. Deze samenwerking begint met regelmatig in gesprek zijn en samen overeenkomen welk gedrag nu precies problematisch is (probleemdefinitie). Leerkracht en ouders kunnen samen zoeken naar de beste manier om het kind te ondersteunen, bijvoorbeeld door praktische afspraken te maken over huiswerk en actieve betrokkenheid van ouders in de klas. Bij kinderen met gedragsproblemen is het van belang dat thuis en op school dezelfde waarden en gedragsverwachtingen gelden. Afstemmen van een consequente manier van reageren op ongewenst én gewenst gedrag (milde sancties, complimenten) tussen ouders en leerkracht geeft het kind houvast. Soms is het nodig dat de leerkracht en de ouders een gezamenlijk plan ontwikkelen waarbij ze welomschreven doelgedrag en hieraan gekoppelde beloningen bepalen voor de aanstaande week. Dit wordt gezamenlijk met het kind besproken in het begin van de week en op het einde van de week samen met het kind geëvalueerd.

Sommige ouders hebben zelf negatieve ervaringen met school gehad, of dragen met zich mee dat ze op school hebben gefaald; dat kan een goede communicatie met de leerkracht in de weg staan. In zo’n geval helpt een extra actieve en uitnodigende houding van de leerkracht. Een vertrouwensrelatie is vaak noodzakelijk om dan toch een goed gesprek te kunnen hebben.

Het komt voor dat ouders de gedragsproblemen afzwakken of de ‘schuld’ aan andere kinderen geven. Ook dit maakt de communicatie met de leerkracht moeilijker. In zulke gevallen kan de leerkracht zich eerst concentreren op het vaststellen van een gezamenlijk doel en het eens worden over het gewenste gedrag. Daarna zal regelmatig – soms wekelijks – overleg nodig zijn tussen ouders, kind en leerkracht.

Sommige deskundigen vinden dat schoolse zaken vooral op school moeten worden afgehandeld (complimenten, sancties en ook huiswerk), zodat ouders daarmee niet belast worden. Kinderen met gedragsproblemen richten hun boosheid en frustratie vaak vooral op hun moeder. Een steunende en begrijpende leraar kan in een dergelijke situatie veel steun bieden. Ook komt het voor dat deze kinderen op school hun beste kant laten zien, thuis het gezin terroriseren en de ouders uitspelen tegen de leerkracht; dit gevaar voor ‘splitsing’ treft soms ook schoolteams (leerkracht, intern begeleider, schoolleiding). Hechte samenwerking tussen ouders en school en waakzaamheid zijn hierbij erg belangrijk.

Terug naar boven

Functional Family therapie

Minder boos en opstandig

Het behandelprogramma ‘Minder boos en opstandig’ is bedoeld voor kinderen van acht tot en met twaalf jaar met een disruptieve gedragsstoornis (ODD of CD, eventueel in samenhang met ADHD en leerstoornissen) en hun ouders. Het programma is gericht op het laten afnemen van negatief probleemgedrag en het laten toenemen van prosociaal gedrag.

>> Lees meer over Minder boos en opstandig of bekijk de ouderinformatie over gedragsstoornissen bij kinderen.

Zelfcontrole

Het doel van ‘Zelfcontrole’ is om gedragsproblemen bij kinderen in sociale situaties te doen afnemen. Het programma leert kinderen meer zelfcontrole te krijgen en minder impulsief te zijn.

>> Lees meer over Zelfcontrole

Incredible years / Pittige jaren

‘Pittige jaren’ werkt aan afname van probleemgedrag en toename van sociaal wenselijk gedrag, door de ouders relevante opvoedingsvaardigheden bij te brengen die zowel het gedrag als de ontwikkeling van het kind in gunstige zin beïnvloeden.

>> Lees meer over Pittige jaren

Parent Management Training Oregon (PMTO)

Parent Management Training Oregon (PMTO) is een ambulante behandeling die zich richt op ouders van kinderen met ODD, CD, eventueel in combinatie met ADHD, in de leeftijd van vier tot twaalf jaar.

>> Lees meer over PMTO

'Triple P, niveau 4 en 5'

Het Triple-P-programma richt zich op de preventie van (ernstige) emotionele en gedragsproblemen bij kinderen door de versterking van de pedagogische vaardigheden bij ouders van kinderen in de leeftijd van nul tot zestien jaar. Als niveau 4 van het Triple-P-programma niet tot het gewenste resultaat leidt – bijvoorbeeld bij ingewikkelde gezinsproblemen – wordt niveau 5 ingezet.
>> Lees meer over Triple P, niveau 4
>> Lees meer over Triple P, niveau 5

Multisysteemtherapie (MST)

Multisysteemtherapie (MST) is bedoeld voor jongeren tussen de twaalf en achttien jaar met ernstig antisociaal gedrag die gesloten uit huis geplaatst zijn of dreigen te worden. MST richt zich ook op het gezin.

Lees meer over MST >>

Parent-Child Interaction Therapy (PCIT)

Het doel van PCIT is gedragsproblemen bij het kind te verminderen en de stress bij ouders te verminderen door de opvoedingsvaardigheden van de ouders te vergroten en de kwaliteit van de ouder-kindrelatie te verbeteren.

Lees meer over PCIT >>

Relationele Gezinstherapie (RGT)

Relationele gezinstherapie (RGT) is een kortdurende gezinstherapie die zich richt op het positief beïnvloeden van de relaties tussen gezinsleden en op het verminderen van gedragsproblemen bij het kind.

Lees meer over RGT >>

MultiDimensionele FamilieTherapie (MDFT)

Multidimensionele familietherapie (MDFT) is een behandelprogramma dat ook ‘bemoeizorg’ omvat. Het programma richt zich op vier domeinen in het leven van een jongere: de jongere en zijn problemen, de ouders van de adolescent, het gezin en de familie als geheel. Ook is er aandacht voor belangrijke aspecten in de omgeving van het kind, zoals zijn leeftijdsgenoten (‘peergroep’), school en mogelijk politie en justitie.

Lees meer over MDFT >>

Medicatie

Medicijnen bij de behandeling van een kind met een oppositionele-opstandige stoornis of de normoverschrijdend-gedragsstoornis vragen om een zeer zorgvuldige afweging. Alleen wanneer er ook sprake is van ADHD of wanneer specifieke gedrags-, gezins- of systeemtherapie onvoldoende effectief is gebleken, met name op het vlak van fysiek agressief gedrag, wordt medicatie overwogen. Wat het laatste betreft is het probleem niet zozeer dat we niet beschikken over een middel dat agressief gedrag doet afnemen: van het antipsychoticum risperidon is het effect overtuigend aangetoond. Het probleem is dat risperidon bijwerkingen kan hebben zoals gewichtstoename en dat er onzekerheid bestaat over het langetermijnrisico voor hart- en vaatziekten en diabetes. Risperidon kan daarom slechts tijdelijk worden gegeven. Als blijkt dat ernstige openlijke agressieve gedragingen bij het staken van risperidon opnieuw voorkomen, dan is een nieuwe zorgvuldige afweging nodig en eventueel een herbeoordeling (diagnostiek).

Gedragsstoornissen in combinatie met ADHD

Voor de behandeling van kinderen en jeugdigen met gedragsstoornissen in combinatie met ADHD, en leidend tot ernstige belemmeringen, is methylfenidaat een effectief en betrekkelijk veilig middel. Zowel methylfenidaat als atomoxetine zijn bewezen effectief tegen de symptomen van gedragsstoornissen, maar het effect van methylfenidaat is groter dan het effect van atomoxetine.

Terug naar boven

    Reageren

    Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

    Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

    De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

    Sluiten