Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters

Slaapproblemen bij kinderen en adolescenten

Hieronder vindt u betrouwbare kennis over de diagnose en behandeling van slaapproblemen bij kinderen en adolescenten. Professionals in de jeugd-ggz krijgen inzicht in onder andere: klinisch beeld, etiologie, prevalentie, comorbiditeit, diagnostiek, behandeling, en beloop en prognose.

Het Kenniscentrum heeft de teksten in samenwerking met experts en ervaringsdeskundigen opgesteld en spant zich in om de informatie zo actueel mogelijk te houden. Heeft u suggesties? Deze kunt u doorgeven via het formulier onderaan de pagina.

Op deze pagina

Beschrijving

angst, autisme en psychotische stoornissen) (APA, 2006; Boer, 2014).

Slaapproblemen kunnen de ouder-kind interactie negatief beïnvloeden. Door de slaapproblemen van het kind kunnen ouders zelf slaap tekort komen. Zo kunnen de slaapproblemen van kinderen gevolgen hebben voor het welzijn van de ouders, en zelfs voor de onderlinge relatie van ouders (Troxel, 2007; Boer, 2011).

In 1990 is de International Classification of Sleep Disorders (ICSD) (AASM, 1990) gepubliceerd. Dit is een classificatiesysteem dat internationaal is aanvaard als basis voor diagnostiek en wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot slaapstoornissen. De ICSD bestaat uit vier hoofdcategorieën: dyssomnieën, parasomnieën, secundaire slaapstoornissen en andere slaapstoornissen. De gebruikelijke aanmeldingsklachten voor slaapproblemen zijn in- en doorslaapproblemen (insomnie), grote slaperigheid overdag (hypersomnie) en abnormale gedragingen tijdens de slaap of tijdens de overgang van slapen naar waken (parasomnie) (Berden, 2000).

Vaak betreffen de problemen niet de slaap zelf, maar de verdeling ervan over dag en nacht. Veelal is er geen sprake van verstoorde slaap door genetische factoren, maar van slaappatronen die afwijken van de wensen of verwachtingen van het kind of zijn omgeving (Boer, 2014). Onderscheid kunnen maken tussen slaapproblemen en slaapstoornissen vereist kennis van het normale slaapgedrag in de diverse ontwikkelingsfasen en van de psychofysiologische factoren die van invloed kunnen zijn op slaap. Er is sprake van een slaapstoornis wanneer slaapproblemen tot ernstige beperkingen in het functioneren leiden (Boer, 2014).

Fysiologie van slaap

Omdat de fysiologie van slaap complex is, is kennis van de fysiologie onmisbaar voor goede diagnostiek en behandeling van slaapproblemen. Fysiologisch worden twee soorten slaap onderscheiden: de Non-Rapid Eye Movement (NREM)-slaap en de Rapid Eye Movement (REM)-slaap.

De NREM-slaap kan worden onderverdeeld in vier stadia:

In stadium 1 is sprake van lichte slaap met trage oogbewegingen en geringe spieractiviteit, waarin men schommelt tussen waken en slapen en gemakkelijk wakker wordt.

In stadium 2 vertraagt de hersenactiviteit verder en komt men in een diepere slaap.

In de stadia 3 en 4 bevindt men zich in diepe slaap, waarbij het vierde stadium de diepste slaap is.

NREM- en REM-slaap wisselen elkaar in een cyclisch verloop af. Vanaf de adolescentie duurt een enkele slaapcyclus ongeveer negentig minuten, met eerst ongeveer tachtig minuten NREM-slaap en vervolgens circa tien minuten REM-slaap. De opeenvolging van de slaapstadia vormt de slaapcyclus. Na een cyclus is er een korte periode van wakker zijn of vindt de overgang naar NREM-slaap plaats (van Bemmel e.a., 2001; Boer, 2011).

Figuur 1: Verschillende slaapstadia
Slaapproblemen Slaapstadia

De belangrijkste systemen van slaap zijn de slaapdruk en het circadiaan ritme. Slaapdruk betreft de opgebouwde slaapbehoefte als iemand weinig geslapen heeft. Naarmate iemand langer wakker is neemt de slaapdruk toe. Wanneer de slaapdruk een bepaalde drempel overstijgt, wordt men slaperig. Als iemand wakker is, wordt de signaalstof adenosine opgebouwd (Bosch, 2007). Wanneer het adenosinegehalte in het bloed een bepaald niveau bereikt, kan deze de kernen in de hersenstam die ons wakker houden uitschakelen.

Het circadiaan ritme ontleent zijn naam aan het Latijn voor 'ongeveer een dag'. Het circadiaan ritme betreft dus een slaap/waakritme dat ongeveer met een dag samenvalt. Het circadiaan ritme verhoogt of verlaagt de drempel die bepaalt bij welke slaapdruk iemand slaperig wordt. Hierdoor kan het gebeuren dat iemand met hoge slaapdruk op het ene moment van de dag gemakkelijk wakker blijft (de drempel is dan hoog) en op het andere wil slapen (de drempel is dan laag).

Het is de combinatie van slaapdruk en het circadiaan ritme die uitmaakt wanneer mensen slaap hebben en wanneer ze wakker zijn (Krueger e.a., 2008; Boer, 2014).

Terug naar boven
Terug naar boven
Terug naar boven
Terug naar boven

angststoornis. De relatie tussen slaap en angst is complex. Slaapproblemen maken deel uit van de diagnostische criteria van enkele angststoornissen, zoals gegeneraliseerde angststoornis. Slaapproblemen kunnen ook ontstaan als gevolg van angsten. Jongeren met een separatieangststoornis kunnen het moeilijk vinden alleen naar hun slaapkamer te gaan. Jongeren met een gegeneraliseerde angststoornis kunnen door het piekeren last hebben van insomnie. De symptomen van een angststoornis zijn gemiddeld ernstiger wanneer er tevens sprake is van slaapproblemen (Van der Heijden e.a., 2013; Boer, 2014).

Autisme

Bij kinderen met een autismespectrumstoornis (ASS) komen vaker slaapstoornissen voor, dan bij kinderen zonder een ASS. De meest voorkomende slaapproblemen binnen deze doelgroep zijn in- en doorslaapproblemen. Jongeren met een ASS hebben een verstoorde melatonineproductie. Dit kan de verhoogde prevalentie van slaapproblemen bij deze doelgroep deels verklaren (Melke e.a., 2008).

Depressie

Jongeren met een depressie hebben regelmatig slaapproblemen. Depressie en slaapproblematiek hangen sterk met elkaar samen. Langdurige slaapproblemen gaan vaak vooraf aan depressieve stoornissen, maar slaapproblemen kunnen ook ontstaan als gevolg van een depressie (Meijer e.a., 2010). Slaapproblemen en hypersomnie maken deel uit van de diagnostische criteria van enkele stemmingsstoornissen, zoals een depressieve episode. De symptomen van een depressie zijn ernstiger wanneer er tevens sprake is van slaapproblemen (Van der Heijden e.a., 2013; Boer, 2014).

PTSS

Slaapproblemen zijn een belangrijk klinisch probleem bij een posttraumatische stresstoornis (PTSS). PTSS is een stoornis die kan ontstaan na een traumatische gebeurtenis. Kinderen met slaapproblemen hebben na een traumatische ervaring een grotere kans op de ontwikkeling van PTSS (Koren e. a., 2002). Verder hebben jongeren met PTSS regelmatig last van angstaanjagende dromen en/of aanvallen van nachtelijke angst, wat kan leiden tot in- en doorslaapproblemen (Boer, 2011).

OCS

Kinderen en jongeren met een dwangstoornis (OCS) kunnen door de rituelen die zij moeten uitvoeren rond het slapen slaap tekort komen (Boer, 2014). OCS is een angststoornis, omdat achter het dwangmatige gedrag een irreële angst schuilt voor wat er kan gebeuren wanneer iemand met de dwanghandelingen ophoudt. Deze handelingen, zoals veelvuldig tellen, voorwerpen rangschikken en handen wassen, zijn erg moeilijk te stoppen, ook al weet de jongere dat het onnodige handelingen zijn (Verhulst, 2006).

ODD/CD

Bij een hulpvraag over gedragsproblemen zoals agressiviteit dient men alert te zijn op de mogelijke aanwezigheid van slaapstoornissen. De medicamenteuze behandeling van gedragsstoornissen kan slaapproblemen veroorzaken of versterken. Behandeling van de slaapproblemen kan de gedragsproblemen verminderen, en kan ook een positief effect hebben op het functioneren op school (Van der Heijden e.a., 2013).

Verstandelijke beperking

Slaapproblemen komen vaker voor bij jongeren met een verstandelijke beperking, dan bij jongeren zonder verstandelijke beperking (Dosen, 2008). De verschillen in slaappatroon van mensen met een verstandelijke beperking worden toegeschreven aan biologische factoren zoals genetische afwijkingen. Uit onderzoek is gebleken dat de REM-slaap bij mensen met een verstandelijke beperking korter is en dat de NREM-slaap zwakker is dan bij mensen zonder een verstandelijke beperking. Dit kan de kwaliteit van slaap verminderen.

Terug naar boven
Terug naar boven

Diagnose

polysomnografie, actigrafie of een melatonine bepaling.

Na verzameling van de informatie over de slaapgeschiedenis, het slaap-waakdagboek en eventueel andere klachten kan een inschatting worden gemaakt van de slaapstoornis. Het is belangrijk te weten of de slaapstoornis:

  1. secundair is aan een psychiatrische stoornis
  2. secundair is aan somatisch lijden of drug- en medicatiegebruik
  3. gezien kan worden als slaapgebonden slaapstoornis (parasomnie)
  4. voortkomt uit te late melatonineafgifte
  5. verband houdt met stress
  6. een gevolg is van onjuiste slaaphygiëne
  7. verband houdt met een onjuiste pedagogische benadering
  8. geen andere aanwijsbare oorzaak heeft (psychofysiologische insomnie) (Meijer e.a., 2008)
Terug naar boven
Terug naar boven

Hypersomnolentiestoornis (hypersomnie)

Bij een hypersomnolentiestoornis is er sprake van excessieve slaperigheid ondanks een lange slaapepisode. Een overzicht van alle criteria staat in onderstaande tabel (zie Tabel 2).

Tabel 2

DSM-5 criteria hypersomnolentiestoornis

A Zelfgerapporteerde excessieve slaperigheid (hypersomnolentie) ondanks een belangrijke slaapperiode van minstens zeven uur, met minstens één van de volgende symptomen: Recidiverende perioden van slapen of van in slaap vallen op dezelfde dag.

Een verlengde slaapepisode van meer dan negen uur per dag die niet-restauratief (niet-verkwikkend) is.

Na plotseling ontwaken veel moeite hebben om volledig wakker te worden.

B De hypersomnolentie komt minstens drie keer per week voor, gedurende ten minste drie maanden.
C De hypersomnolentie gaat gepaard met klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het cognitieve, sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
D De hypersomnolentie kan niet beter worden verklaard door en komt niet uitsluitend voor in het beloop van een andere slaap-waakstoornis (bijvoorbeeld narcolepsie, de ademhalingsgerelateerde slaapstoornis, de circadiane-ritme-slaap-waakstoornissen, of een parasomnia).
E De hypersomnolentie kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals een drug of medicatie).
F Co-existente psychische stoornissen en somatische aandoeningen kunnen niet adequaat de op de voorgrond staande hypersomnolentieklacht verklaren.

 

In de DSM-5 is de classificatie primaire insomnie vervangen door de classificatie insomniestoornis (APA, 2013). De belangrijkste veranderingen ten opzichte van de diagnose primaire insomnie zijn dat de symptomen voor een insomniestoornis minimaal drie maanden moeten duren en gedurende drie nachten per week aanwezig moeten zijn. Ook vormen comorbide psychiatrische en medische stoornissen geen uitsluiting voor classificatie insomniastoornis, maar dienen deze behandeld te worden naast de insomnie.

Parasomnieën

De meest voorkomende parasomnieën bij kinderen zijn slaapwandelen en pavor nocturnus (nachtelijke angstaanvallen) (van Bemmel 2001; Boer, 2014).

DSM-5 beknopt overzicht

Naast de bovengenoemde slaap-waakstoornissen, onderscheidt de DSM-5 (APA, 2013) de volgende slaap-waakstoornissen*:

  • Insomniastoornis
  • Hypersomnolentiestoornis
  • Narcolepsie
  • Ademhalingsgerelateerde slaapstoornissen
    • Obstructieve-slaapapneu-/hypopneusyndroom
    • Centrale-slaapapneusyndroom
    • Slaapgerelateerde hypoventilatie
  • Circadianeritme-slaap-waakstoornissen
  • Parasomnia’s
    • Non-remslaap-arousalstoornissen
    • Nachtmerriestoornis
    • Remslaapgedragsstoornis
    • Rustelozebenensyndroom
  • Slaapstoornis door een middel/medicatie
  • Andere gespecificeerde en ongespecificeerde slaap-waakstoornissen

* De criteria voor deze slaap-waak stoornissen staan beschreven in DSM-5.

Terug naar boven
Terug naar boven

Behandeling

Terug naar boven

melatonine (Van der Heijden, 2005; Boer, 2011).

Behandelmethoden voor beter slapen

Er zijn weinig geprotocolleerde behandelingen voor slaapproblemen bij kinderen en adolescenten. De problematiek is zeer divers. Om deze reden geven behandelaars voornamelijk op maat gesneden adviezen.

Slim Slapen

Het programma Slim Slapen richt zich op cognitief gedragstherapeutische methoden. Tijdens de behandeling leert de jongere onder andere vaste bedtijden aan te houden en juiste slaapgewoonten te ontwikkelen.

Cognitieve gedragstherapie voor insomnia (CGT-i) bestaat uit een combinatie van verschillende technieken ter bevordering van goede slaap, namelijk instructies voor slaaphygiëne, stimuluscontrole, restrictie van tijd in bed, cognitief herstructureren en ontspanningstechnieken. Deze technieken worden door de Standards of Practice Committee van de American Academy of Sleep Medicine (AASM) aanbevolen als een effectieve therapie in de behandeling van insomnie (De Bruin e.a., 2013).

De volgende technieken worden gebruikt binnen CGT-i:

  • Cognitieve technieken
    Cognitieve technieken worden gebruikt om disfunctionele gedachten over slaap (bijvoorbeeld 'als ik niet goed slaap, zal ik morgen slecht presteren') om te zetten in functionele gedachten (bijvoorbeeld 'ook al slaap ik slecht, dan kan ik morgen toch goed presteren').
  • Stimuluscontrole
    De behandeling is erop gericht om jongeren met insomnie te leren om bedtijd, bed en slaapkamer associëren met snel in slaap vallen.
  • Restrictie van tijd in bed
    Restrictie van tijd in bed betekent het zodanig beperken van de tijd in bed dat deze overeenkomt met de subjectief aangegeven slaaptijd.

E-health

VGZ Slaap lekker is een online (zelf)hulpprogramma waarmee slaapproblemen in kaart gebracht kunnen worden. Ook krijgt men opdrachten, tips en coaching om slaapklachten te verminderen.

Terug naar boven

Medicatie

evidentietabel van I. van Geijlswijk. Er zijn weinig veiligheidsgegevens voor de lange termijn, maar op de korte termijn zijn er weinig bijwerkingen. Hoewel melatonine niet als geneesmiddel is geregistreerd, wordt het wel veel gebruikt. Het is daarom lastig om een goede plaatsbepaling te maken en er is gekozen om hier enige achtergrondinformatie over het middel te bieden. Benzodiazepines zijn nauwelijks onderzocht voor deze indicatie. Antihistaminica zijn wel onderzocht, maar geven vaak aanleiding tot een 'hangover' en geven snel gewenning.

Bij adolescenten zal men zich mogelijk baseren op de beschikbare gegevens bij volwassenen.

Bij langer bestaande slaapproblemen in het kader van ontwikkelingsproblematiek zoals ADHD of ASS, of die ontstaan als bijwerking van stimulantia is melatonine onderzocht en effectief gebleken.

Kortdurende inslaapproblemen kunnen optreden bij veel stress. Medicatie kan dan geïndiceerd zijn om kind en gezin 'op de been' te houden. Er is dan wellicht meer een anxiolytisch dan een hypnotisch effect nodig.

Flowchart medicatie bij slaapproblemen bij kinderen en adolescenten

Download of bekijk de flowchart rondom slaapmedicatie:

flowchart-slaapmedicatie

Terug naar boven

In combinatie met ASS:

  • behandel evt. onderliggende oorzaak (angst, depressie, dwang etc.).
  • overweeg melatonine 0,5-3 mg (Wirojanan et al., 2009).

Kortdurende behandeling (<7 dagen) bij extreme slaapproblemen

Oxazepam (geregistreerd vanaf 12 jaar) en diazepam (geregistreerd vanaf 6 jaar) zijn geen slaapmiddelen maar worden in de praktijk veel gebruikt, in een dosering van 10-50 mg (oxazepam) of 2,5 tot 10 mg (diazepam).

Nitrazepam in 1 dosis ’s avonds voor het slapengaan (Informatorium Medicamentorum, september 2009):

  • Kinderen 1-5 jaar: 2,5 (tot 5) mg
  • Kinderen vanaf 6 jaar: start met 5 mg

Temazepam 10 mg in 1 dosis voor het slapengaan:

  • Alleen bij kinderen vanaf 12 jaar.

Langdurig DSPD

Melatonine in 1 dosis geven, geruime tijd (uren) voor het DLMO (Braam et al., 2008) waarbij dient te worden opgemerkt dat dit zonder bepaling van de melatonine curve slechts geschat kan worden.

  • Kinderen tot 12 jaar: 0,1 mg (sublinguaal) tot 3 mg
  • Jeugdigen vanaf 12 jaar: 3-5 mg

Bekijk ook de flowchart medicatie bij slaapproblemen.

Terug naar boven
Terug naar boven

DLMO (tijdstip van op gang komen endogene melatonine productie, bij gedempt licht) is mogelijk om beter te weten wanneer melatonine gegeven moet worden. Met meerdere bepalingen over de dag in speeksel (kauwwatten, op te sturen naar een melatoninepoli (zie bijv. www.slaapstoornissen.nl) kan de melatonineconcentratie en daarmee de DLMO bepaald worden. Exogeen melatonine, toegediend 5 uur voor de DLMO verschuift het melatonine ritme en de daarmee samenhangende circadiane ritmen het meest krachtig 2 uur naar voren. Het is nog geen uitgemaakte zaak of in alle gevallen de DLMO bepaald moet worden. Bij verstandelijk beperkte kinderen komen vaker problemen op dit gebied voor en zijn er argumenten om de DLMO te bepalen, ook bij therapieresistentie is het waarschijnlijk verstandig.

Een sublinguale dosis van 0,1 of 0,2 mg is vaak al succesvol.

Te hoge doseringen melatonine (boven de 3 mg) kunnen de biologische klok ontregelen, waarschijnlijk vooral bij te langzame afbraak van melatonine, waardoor het Zeitgeber effect verdwijnt, en de biologische klok ontregeld raakt; de melatonine werkt dan niet meer na aanvankelijk succes. De melatonine moet dan een paar maanden gestopt worden en later in een veel lagere dosis gegeven worden. Melatonine verkort de slaaplatentie (na geschikte gedragsinterventies) bij kinderen met inslaapstoornissen, DSPD, verstandelijke beperkingen, autisme en ADHD (Wilson et al., 2010). Alleen bij kinderen met een verstandelijke beperking, maar niet bij de andere groepen, is daarnaast een verbeterde slaapkwaliteit gevonden.

Bijwerkingen van melatonine bij kinderen zijn vooralsnog nauwelijks gevonden. Hoofdpijn, gevoel van kou en gedaalde stemming worden soms gezien (van Geijlswijk, 2011). Een niet klinisch relevante, voorbijgaande, verhoging van prolactine spiegels werd gevonden bij volwassenen. In het boek van Dieleman e.a. 2011 is beschreven dat de convulsiedrempel verlaagd zou kunnen worden. Van Geijlswijk (2011) vond de beste invloed op verschuiving DLMO en op de slaap bij doseringen van 0,1 tot 0,15 mg per kg. Een sublinguale toediening geeft een vijf maal hogere spiegel omdat dan bijna alles opgenomen wordt, i.t.t. orale toediening waarbij slechts 20% in de bloedbaan komt. Ouders kopen vaak zelf melatonine bij de drogist, het is dan te adviseren een chemische bereiding te kopen.

In de praktijk is de dosering meestal tussen de 0,1 en 2 mg voor kinderen en 2-5 mg voor adolescenten. De tijd van toediening is dus van belang, vaak 1-2 uur voor het naar bed gaan.

De therapie blijft jaren werkzaam en kan jaren voortgezet worden (Weiss, 2006). Hoewel effect op de hypothalame-gonadale as gevreesd werd, zijn er geen meetbare effecten op de ontwikkeling gevonden (van Geijlswijk, 2011). Voor het slow release preparaat Circadin® lijkt op basis van bovengenoemde fysiologie en bij gebrek aan registratie voor kinderen en adolescenten geen plaats.

Terug naar boven

temazepam meer gebruikt dan nitrazepam, terwijl temazepam niet is geregistreerd voor kinderen (Informatorium Medicamentorum, september 2009). Temazepam heeft echter wel een gunstiger profiel als slaapmiddel door het sneller intreden van werking en de kortere halfwaardetijd (Wilson et al., 2010).

Clonazepam 0,1 tot 0,8 mg (0,02-0,1 mg per kg per dag) wordt wel aangeraden voor inslaapproblemen bij angststoornissen (Gunning, 2008).

Zolpidem heeft een plaats bij de behandeling van slapeloosheid bij volwassenen in verband met de gunstige kinetiek en relatief weinig effect op de slaaparchitectuur. Het is echter niet werkzaam gebleken bij een onderzoek onder 6-17 jarigen met een dosis van 0,25 mg per kg (tot max 10 mg). Alleen in de oudere groep waren er mogelijk enige gunstige effecten. Het heeft dus geen plaats in het formularium.

Terug naar boven

methylfenidaataripiprazol en fluvoxamine geven verslechtering van de slaap, stoppen van het middel of toedienen op een ander moment is dan te overwegen. Atomoxetine komt als alternatief voor stimulantia in aanmerking.

Antidepressiva

Deze middelen geven in het algemeen vermindering van REM slaap en toename NREM.

Van mirtazapine is in 1 kleine, open label studie bij sommige kinderen en jongeren met autisme, PDD en verstandelijke beperking (Posey et al., 2001).

Mirtazapine (Remeron®, 7,5 tot 15 mg) en trazodon (Trazolan®, 50 tot 100 mg) kunnen in zeldzame gevallen laag gedoseerd voorgeschreven worden bij therapieresistente slaapproblemen bij adolescenten met met name bij comorbide depressieve klachten en/of PTSS. Deze middelen geven al in een lage dosis 5HT2a blokkade wat slaap induceert. Mirtazapine kan de eetlust stimuleren. Trazodon zou laag gedoseerd nauwelijks invloed hebben op de REM slaap maar kan priapisme en cardiale geleidingsproblemen veroorzaken. Imipramine (tot 2-3 mg per kg per dag, zie formularium voor startdosering) wordt soms gegeven bij pavor nocturnus en slaapwandelen. Onder meer cardiale problemen vormen een contra-indicatie.

Agomelatine is nog niet geregistreerd voor kinderen en jeugd en er zijn nog onvoldoende ervaringen met dit middel, gebruik wordt niet aangeraden (zie ook de review Geneesmiddelenbulletin, mei 2013).

Antihistaminica (promethazine en hydroxyzine)

Deze middelen hebben sederende eigenschappen en zijn niet verslavend, tolerantie kan ontstaan, paradoxale effecten zijn beschreven, mogelijk geven ze vermindering van slaapkwaliteit. Niet geven beneden 2 jaar, vanwege risico op ademdepressie.

Antipsychotica

Het gebruik van lage doses olanzapine, en quetiapine (25-50 mg) is voor volwassenen beschreven in de acute psychiatrie bij angststoornissen en ernstige slaapproblemen en ook bij posttraumatische nachtmerries. Bij kinderen is er onvoldoende documentatie, langdurig gebruik kan metabool syndroom veroorzaken.

Clonidine

Clonidine kan overwogen worden met name bij slaapstoornissen bij ADHD en Gilles de la Tourette. Het geeft vermindering van de REM slaap.

Indien clonidine wordt gebruikt als slaapmiddel, wordt met 25 microgram begonnen. Meer dan 50 of 75 microgram wordt over het algemeen niet gegeven in verband met de kans op een te lage nachtelijke bloeddruk. Niet combineren met bètablokkers en tricyclische antidepressiva.

L-Tryptofaan

L-Tryptofaan lijkt geen plaats te hebben in de behandeling vanwege hepatotoxische effecten.

Terug naar boven
Terug naar boven

Expertgroep

Vereniging Kind & Slaap

De vereniging Kind & Slaap is in 2015 opgezet vanuit een bestaande samenwerking tussen enkele slaapcentra in Nederland en inmiddels uitgegroeid tot een groep van meer dan 90 specialisten vanuit zowel Nederland als België. De website geeft niet alleen informatie aan specialisten over slaapproblemen bij kinderen, maar ook praktische hulp voor ouders en jongeren, eventueel aangevuld met de juiste route naar hulpverlening.

    Reageren

    Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

    Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

    De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

    Sluiten