Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters

Autismespectrumstoornissen (ASS) bij kinderen en adolescenten

Hieronder vindt u betrouwbare kennis over de diagnose en behandeling van autismespectrumstoornissen (ASS) bij kinderen en adolescenten. Professionals in de jeugd-ggz krijgen inzicht in onder andere: klinisch beeld, etiologie, prevalentie, comorbiditeit, diagnostiek, behandeling, en beloop en prognose.

Het Kenniscentrum heeft de teksten in samenwerking met experts en ervaringsdeskundigen opgesteld en spant zich in om de informatie zo actueel mogelijk te houden. Heeft u suggesties? Deze kunt u doorgeven via het formulier onderaan de pagina.

Op deze pagina

Beschrijving autisme

Terug naar boven

ESAT, SRS).

Terug naar boven
Terug naar boven
Terug naar boven

gedragsstoornissen (ODD/CD), angst of depressie (bijvoorbeeld Leyfer e.a., 2006).

Psychiatrische comorbiditeit komt voor bij ongeveer 70% van de kinderen en jongeren met autisme (Simonoff e.a., 2008). Veel voorkomende comorbide diagnoses zijn: sociale angststoornis (29,2%, Simonoff e.a., 2008), ADHD (28,2%, Simonoff e.a., 2008), oppositioneel-opstandige gedragsstoornis (28,1%, Simonoff e.a., 2008) en slaapstoornissen (40-86%, Maski e.a., 2011). Daarnaast hebben jeugdigen met autisme een verhoogde kans op stemmingsstoornissen (10%) en tics (11%, Gjevik, 2011). Van degenen met ADHD had 84% nog een tweede comorbide stoornis. In de richtlijn autismespectrumstoornissen van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (2009) worden ADHD en angststoornissen als meest voorkomende comorbide psychopathologie genoemd. Ook zijn er aanwijzingen voor een samenhang tussen autisme en genderdysforie (Heylens e.a., 2018) en tussen autisme en eetproblemen (Baron-Cohen e.a., 2013; Tchanturia e.a., 2013). Binnen de populatie met anorexia voldoet 4-52.5% aan ASS-criteria (Westwood & Tchanturia, 2017). Indien er sprake is van autisme bestaat bovendien een twee keer zo grote kans om de diagnose dwangstoornis (OCD) te krijgen in vergelijking met een gezonde populatie (Meier e.a., 2015). Verder toont onderzoek een overlap aan met de borderline persoonlijkheidsstoornis (Dudas e.a., 2017).

De Gezondheidsraad (2009) geeft aan dat een verstandelijke beperking een belangrijk comorbide kenmerk is van autisme: 40 tot 60% van de mensen met autisme heeft ook een verstandelijke beperking (zie ook Charman e.a., 2011). Hierbij moet opgemerkt worden dat het bewustzijn van autisme(-kenmerken) bij mensen met een normale tot hoge intelligentie nog groeiende is, dus het is mogelijk dat autisme bij kinderen met een lager IQ eerder opgemerkt wordt. Het Amerikaanse Center for Disease and Control gaat uit van 44% zonder een verstandelijke beperking (Christensen e.a., 2016). In omgekeerde richting hebben 3% tot 50% van de kinderen en jongeren met een verstandelijke beperking autisme (De Bildt e.a., 2005). Ook Matson en Shoemaker (2009) geven aan dat autisme een van de meest voorkomende comorbide stoornissen is bij individuen met een verstandelijke beperking. Bhaumik en collega’s (2010) verrichtten een epidemiologisch onderzoek naar de percentages waarin autisme samen met een verstandelijke beperking voorkomt. Zij kwamen tot een range van 15% tot 70%, afhankelijk van de gehanteerde diagnostische criteria en het niveau van functioneren.

Ook kan er sprake zijn van somatische comorbiditeit (m.n. immunologische, gastro-enterologische en neurologische problematiek) (Muskens e.a., 2017). Er zijn een aantal syndromen die gepaard kunnen gaan met autisme-verschijnselen. Deze verschijnselen worden onder andere gezien bij het fragiele-X-syndroom (Kaufmann e.a., 2017; Richards e.a., 2015), het Klinefelter-syndroom (Tartaglia e.a., 2017), neurofibromatose type 1 (Eijk e.a., 2018; Nupan e.a., 2017) en het 22q11-deletiesyndroom (Richards e.a., 2015; Schneider e.a., 2014).

Tot slot is er een verhoogd risico op aanvallen van epilepsie bekend. Het komt voor bij ongeveer 20 à 30% van de mensen met autisme en vooral binnen de groep met een verstandelijke beperking (Bolton e.a., 2011; Maski e.a., 2011; Besag, 2017).

Terug naar boven
Terug naar boven

Diagnose autisme

NICE guidelines, 2011). Tot slot wordt er verwezen naar de ESCAP klinische richtlijnen (Fuentes, Hervás, & Howlin, 2020).

Het uiteindelijk doel van diagnostiek van autisme is individuen en hun families voorzien van de juiste ondersteuning en begeleiding (Fuentes, Hervás, & Howlin, 2020). Er wordt een sterkte-zwakteanalyse gedaan van alle ontwikkelingsdomeinen van het kind. De mogelijkheden en beperkingen van het kind worden beoordeeld in de context van alle betrokken leefdomeinen, zoals gezin (of leefgroep), school en buurt. Hoewel men ervan uitgaat dat autisme een stoornis is die grotendeels wordt bepaald door biologische factoren, spelen dynamische interacties met de omgeving een belangrijke rol in de manier waarop gedragsproblemen geassocieerd met deze stoornis concreet tot uiting komen (Hallmayer e.a., 2011). Vooral voor de behandeling en begeleiding is het van belang een goed beeld te krijgen van de problematiek en de gevolgen die de problematiek van autisme heeft voor de interacties met de omgeving.

In de diagnostiek van autisme zijn de volgende elementen van belang:

  • Screening ten behoeve van diagnostiek
  • Anamnese en ontwikkelingsanamnese
  • Onderzoek van het kind zelf
  • Aanvullend onderzoek (o.a. psychologisch onderzoek, logopedisch onderzoek, medisch onderzoek, genetisch onderzoek)

Procedure

Screening voorafgaand aan het eerste contact met ouders en kind is effectief, omdat daarmee een eerste indruk verkregen kan worden van de aard en de ernst van de ontwikkelingsproblematiek en comorbide gedragsproblemen. Het kan richting geven aan het verdere onderzoek. Een diagnose moet echter nooit alleen op een screening worden gebaseerd.

Vroege screening

Bij jonge kinderen met autisme blijkt vroegtijdige en intensieve interventie te resulteren in een betere lange termijn prognose (Dawson e.a., 2010; Smith e.a., 2010; zie ook het hoofdstuk Behandeling). Daarom wordt screening van jonge kinderen steeds belangrijker geacht (Robins & Dumont-Mathieu, 2006). Hierbij moet gewaarschuwd worden dat autisme moeilijk is vast te stellen bij zeer jonge kinderen. Enerzijds kunnen de ontwikkelingsverschillen tussen kinderen op jonge leeftijd nog heel groot zijn zonder dat dit iets zegt over de uiteindelijke ontwikkeling. Anderzijds is er een overlap tussen gedrag typisch voor autisme en ontwikkelingsadequaat ‘jong’ gedrag. Inmiddels is veel onderzoek gedaan naar welke kenmerken op jonge leeftijd onderscheidend zijn, met als doel vroegtijdige interventie mogelijk te maken. Bepaalde vormen van vroeg vocaal gedrag of gebrek aan vroeg vocaal gedrag zijn bijvoorbeeld een aanneembare voorspeller van een verhoogd risico voor ASS-symptomen bij baby’s en peuters met een ouder broertje of zusje met autisme (Paul e.a., 2011). ASS-symptomen binnen de motorische ontwikkeling, sociale en emotionele ontwikkeling en intentionele communicatie zijn bij deze kinderen te herkennen vanaf de leeftijd van 12-24 maanden (Rogers, 2009). In het Van Wiechenschema, het ontwikkelingsschema waarin alle mijlpalen van kinderen op het consultatiebureau worden bijgehouden, zijn sinds de richtlijn autismespectrumstoornissen (Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, 2015) ASS-specifieke mijlpalen opgenomen, die als screeningsitems dienen voor artsen en wijkverpleegkundigen.

Bij jonge kinderen met autisme blijkt vroegtijdige en intensieve interventie te resulteren in een betere lange termijn prognose (Dawson e.a., 2010; Smith e.a., 2010; zie ook het hoofdstuk Behandeling). Daarom wordt screening van jonge kinderen steeds belangrijker geacht (Robins & Dumont-Mathieu, 2006). Hierbij moet gewaarschuwd worden dat autisme moeilijk is vast te stellen bij zeer jonge kinderen. Enerzijds kunnen de ontwikkelingsverschillen tussen kinderen op jonge leeftijd nog heel groot zijn zonder dat dit iets zegt over de uiteindelijke ontwikkeling. Anderzijds is er een overlap tussen gedrag typisch voor autisme en ontwikkelingsadequaat ‘jong’ gedrag. Inmiddels is veel onderzoek gedaan naar welke kenmerken op jonge leeftijd onderscheidend zijn, met als doel vroegtijdige interventie mogelijk te maken. Bepaalde vormen van vroeg vocaal gedrag of gebrek aan vroeg vocaal gedrag zijn bijvoorbeeld een aanneembare voorspeller van een verhoogd risico voor ASS-symptomen bij baby’s en peuters met een ouder broertje of zusje met autisme (Paul e.a., 2011). ASS-symptomen binnen de motorische ontwikkeling, sociale en emotionele ontwikkeling en intentionele communicatie zijn bij deze kinderen te herkennen vanaf de leeftijd van 12-24 maanden (Rogers, 2009). In het Van Wiechenschema, het ontwikkelingsschema waarin alle mijlpalen van kinderen op het consultatiebureau worden bijgehouden, zijn sinds de richtlijn autismespectrumstoornissen (Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, 2015) ASS-specifieke mijlpalen opgenomen, die als screeningsitems dienen voor artsen en wijkverpleegkundigen.

Om vroege screening en signalering van autisme verder vorm te geven, zijn instrumenten ontwikkeld die zich richten op ASS-symptomen bij jonge kinderen. Specifiek voor het screenen van baby’s en peuters op autisme is de CoSoS (Communicatieve en Sociale ontwikkelingssignalen, voorheen ESAT). Hiermee kunnen gesignaleerde risico’s worden beoordeeld en kan de noodzaak tot doorverwijzing worden vastgesteld (Buitelaar e.a., 2009). Over de betrouwbaarheid en validiteit van deze vragenlijst is nog erg weinig bekend, waardoor deze aspecten als onvoldoende zijn beoordeeld door de COTAN. Daarnaast geven onderzoeksresultaten aan dat het screeningsinstrument M-CHAT  (Modified Checklist for Autism in Toddlers) een goed instrument is voor de vroegtijdige opsporing van autisme bij peuters (Robins e.a., 2001). Wanneer deze instrumenten worden vergeleken dan blijkt dat de M-CHAT weliswaar meer kinderen oppikt als risico op autisme, terwijl de CoSoS/ESAT samenhangt met meer klinische verwijzingen en meer kinderen opspoort met medische, taal- of gedragsproblemen. Een combinatie van beide screeners werkte het best in dit onderzoek (Beuker e.a., 2014).

Screeningsinstrumenten over ASS-symptomatologie

De Social Communication Questionnaire (SCQ) is een vragenlijst voor screening op autisme bij kinderen vanaf 4 jaar (met een mentale leeftijd vanaf 2 jaar), die door de ouders wordt ingevuld. Van de SCQ bestaan twee versies: de versie ‘levensloop’ waarin de gehele ontwikkelingsgeschiedenis van het kind wordt meegewogen en de versie ‘huidige toestand’ waarbij alleen de afgelopen drie maanden worden bekeken (om eventuele verandering in gedrag na te gaan). De vragenlijst is gebaseerd op de ADI-R (Autisme Diagnostisch Interview – Revisie) en is vertaald naar het Nederlands, maar er is weinig Nederlands onderzoek naar de betrouwbaarheid en validiteit.

De Social Responsiveness Scale (SRS) richt zich op sociaal-communicatief gedrag en geeft dit weer op een dimensionele schaal, waarbij een hogere score meer problematiek betekent. Er zijn inmiddels Nederlandse normgegevens beschikbaar voor kinderen en jongeren van 4 tot en met 17 jaar, waardoor met de schaal onderscheid gemaakt kan worden tussen autisme en niet-autisme. Er zijn ook klinische normen (binnen de autisme-populatie) die bedoeld zijn om inzicht te geven in de ernst van de stoornis. Deze lijst is, net als de VISK (Vragenlijst voor Inventarisatie van Sociaal Gedrag van Kinderen), specifiek gericht op het in kaart brengen van problemen van kinderen met ‘mildere varianten’ van autisme (www.wpspublish.com; Constantino & Gruber, 2005).

Voor het in kaart brengen van de problemen van kinderen met mildere vormen van autisme kan ook de VISK (Vragenlijst voor Inventarisatie van Sociaal gedrag bij Kinderen) worden gebruikt. De VISK is een relatief korte lijst die door ouders kan worden ingevuld en vooral de meer subtiele sociale problemen inventariseert. De Autisme Spectrum Vragenlijst (ASV) is ook een vragenlijst waarmee de symptomen van autisme worden gemeten bij kinderen en jongeren tot en met 18 jaar (Van der Ploeg & Scholte, 2014).

Een goed onderzocht en veel gebruikt screeningsinstrument in Nederland en Vlaanderen voor autisme bij kinderen en volwassenen met een verstandelijke beperking is de AVZ-R (Autisme en Verwante Stoornisschaal voor Zwakzinnigen – Revisie; Kraijer, 1999). Het is een kort en eenvoudig in te vullen instrument. Hierbij wordt gebruik gemaakt van rechtstreekse observaties en dossiergegevens. Een nadeel van de AVZ-R is dat de specificiteit van het instrument laag is, waardoor het mogelijk is dat de problematiek te snel ten onrechte als autisme wordt aangemerkt. Bovendien zijn de normen relatief oud en is het instrument echt alleen bedoeld voor de populatie met een verstandelijke beperking.

De Pervasive Developmental Disorders Screening Test-II-NL (PDDST-II-NL) is bedoeld om te screenen op de verschillende vormen van autisme bij kinderen tussen 1 en 6 jaar oud. Ouders vullen de vragenlijst in. Over de betrouwbaarheid en validiteit van dit instrument is weinig bekend.

Bredere screeningsinstrumenten

Bredere screeningslijsten leveren weinig specifieke informatie op voor de autismespectrumstoornissen, maar kunnen wel goed worden gebruikt om de probleemgebieden waarbij hulp wordt gevraagd, en daarmee ook eventuele comorbiditeit, in kaart te brengen (NVvP, 2009).

De Sociaal Emotionele Vragenlijst (SEV) bestaat uit 72 vragen (afnameduur 30 minuten) voor ouders of leerkrachten. Er wordt onderscheid gemaakt tussen sociaal-emotionele problematiek zoals die vaak voorkomt bij kinderen met ADHD, ODD, autisme of angststoornissen. De SEV is goed beoordeeld door de COTAN.

Internationaal geaccepteerde vragenlijsten, die accurate gegevens opleveren over de meest voorkomende internaliserende en externaliserende stoornissen, zijn de CBCL (Child Behavior Checklist), de TRF (Teacher’s Report Form) en de YSR (Youth Self-Report). Ook de SDQ (Strenghts and Difficulties Questionnaire) wordt vaak gebruikt voor screening op psychopathologie.

Voor meer informatie over de comorbide stoornissen verwijzen wij naar de betreffende thema's:

Anamnese en ontwikkelingsanamnese

Een eerste belangrijke informatiebron in de diagnostiek van autisme is het verhaal (de anamnese) van de ouders/verzorgers. Zij kunnen de huidige problematiek die hun kind ervaart in het dagelijks leven meestal goed verwoorden. Onderwerpen die daarin aan de orde moeten komen zijn de contactmogelijkheden van het kind (de wijze waarop, de mate waarin, de behoefte etc.), de kwaliteit van de interactie, de ontwikkeling van de spraak, taal en communicatie, specifieke interesses, de ontwikkeling van de motoriek en de verstandelijke vermogens. Daarnaast staat bij autisme de ontwikkelingsgeschiedenis van het kind centraal. Ook life-events spelen daarin een rol. Ten derde is het nuttig om bij de inventarisatie van de problemen ook de gezinscontext goed in kaart te brengen. Dit geeft inzicht in de invloed die de problematiek van het kind heeft op het functioneren van het gezin (draagkracht/draaglast) en op de relaties tussen de gezinsleden, maar ook in de invloed van het gezinsfunctioneren op de problemen van het kind. Tot slot is ook informatie van de school, kinderdagverblijf of dagvoorziening belangrijk om een compleet beeld te krijgen van het functioneren van het kind (NICE guidelines, 2011). Voor een meer uitgebreide en inhoudelijke beschrijving van de inventarisatie van de problematiek verwijzen we naar Minderaa (2009), Van der Veen-Mulders en collega’s (2001) en Verhulst en Verheij (2009). Voor de diagnostiek bij hele jonge kinderen verwijzen we naar Blijd-Hoogewijs en collega’s (2017). Zij hebben in het Expertisenetwerk Autisme Jonge Kind met een brede groep collega’s in Nederland uitgewerkt hoe de diagnostiek er bij jonge kinderen uit zou moeten zien en welke aandachtspunten specifiek gelden bij een aanmelding van een jong kind. Er zijn hierbij een aantal signalen in het gedrag die kunnen wijzen op autisme, zoals: niet lachen naar anderen, niet reageren wanneer hij/zij wordt toegesproken, niet brabbelen, geen gebruik maken van woorden, geen interesse tonen in anderen, verliezen van taal of sociale vaardigheid (zie www.autismejongekind.nl).

Instrumenten ter onderbouwing van de anamnese/ontwikkelingsanamnese

De ADI-R (De Jonge & De Bildt, 2007) is een internationaal toegepast, betrouwbaar en valide klinisch interview met de ouders/verzorgers. Het kan gebruikt worden in de diagnostiek van autisme bij kinderen met een ontwikkelingsleeftijd vanaf 2 jaar. Afname van de ADI-R neemt 2 tot 2,5 uur in beslag en de interviewer moet getraind en gecertificeerd worden om betrouwbare codering van de interviewgegevens te waarborgen. De ADI-R brengt de ontwikkelingsgeschiedenis en het huidig functioneren in kaart en leidt tot een classificatie wel/niet autisme. De ADI-R wordt in combinatie met de ADOS-2 (De Bildt e.a., 2013) vaak gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek. Clinici geven na training vaak aan dat zij ook zonder daadwerkelijke afname van de ADI-R beter in staat zijn een ontwikkelingsanamnese gericht op de sociale communicatie en repetitief en beperkt gedrag af te nemen.

De Developmental, Dimensional and Diagnostic Interview (3Di) biedt een nauwkeurige en efficiënte manier van beoordeling van de aanwezigheid van autistische symptomen (Skuse e.a., 2004). Dit gevalideerde semigestructureerde interview met de ouders geeft zowel vroeger als huidig gedrag weer. De 3Di kost minder tijd dan de ADI-R. Ook voor dit instrument geldt dat training en certificering vereist zijn.

De AUTI-R is een beoordelingsschaal en wordt ingevuld door een beroepskracht die het kind goed kent (Van Berckelaer-Onnes & Hoekman, 1991). Het betreft een vragenlijst met het doel kinderen met autisme te onderscheiden van kinderen zonder autisme. Het leeftijdsbereik is vanaf 10 maanden voor niet-sprekende kinderen en vanaf 3 jaar tot en met 12 jaar voor sprekende kinderen. De huidige versie van de AUTI-R is overigens sterk verouderd en behoeft herziening.

Onderzoek van het kind zelf

Het is van belang dat de onderzoeker voor zichzelf een indruk vormt van het kind door middel van een kindonderzoek. Hierbij wordt gebruik gemaakt van zowel gesprek als spel, afhankelijk van leeftijd en niveau van functioneren. Minderaa (2009) en Van der Veen-Mulders en collega’s (2001) geven een beschrijving van de verschillende aspecten waarop de onderzoeker moet letten. Denk aan contactname, taalgebruik, mogelijkheid tot verbeelding in fantasiespel, motoriek etc. Men dient er rekening mee te houden dat bij kinderen met een autismespectrumstoornis de problemen in een één-op-één-contact met de onderzoeker soms minder zichtbaar kunnen zijn dan in het verhaal van ouders naar voren komt. Dit komt doordat de problemen van deze kinderen het meest zichtbaar worden in situaties waarin ze zich op hun gemak voelen (zoals bijvoorbeeld thuis) en in situaties die weinig gestructureerd zijn (Minderaa, 2009). Omdat een observatie van een kind op vele manieren kan worden uitgevoerd, wordt in de richtlijnen aanbevolen dit te standaardiseren.

Instrumenten ter onderbouwing van kindonderzoek

De ADOS-2 is een betrouwbaar en valide observatie-instrument dat wordt aanbevolen om op een gestandaardiseerde manier het sociaal communicatieve en flexibele gedrag van kinderen, adolescenten en volwassenen met autisme in kaart te brengen (Lord e.a., 2012; de Bildt e.a., 2013). Met behulp van de ADOS-2 kan goed onderscheid worden gemaakt tussen ASS en non-ASS. Bovendien geeft de ADOS een ernstscore weer van de ASS-symptomen, wat goed aansluit bij de DSM-5 (Gotham e.a., 2009; De Bildt e.a., 2011). De ADI-R en ADOS-2 dragen onafhankelijk van elkaar bij aan meer accurate diagnostische beslissingen over peuters, kinderen en volwassenen met autisme. Voor sommige kinderen leidt het opeenvolgend gebruik van beide instrumenten tot verbeterde diagnostische validiteit (Kim & Lord, 2012).

(Neuro)psychologisch onderzoek

Een IQ-test is een goede aanvulling op de diagnostiek bij autisme, omdat hiermee een profiel van de sterke en zwakke kanten van het kind kan worden gevormd. Verder (neuro)psychologisch onderzoek kan om verschillende redenen nuttig zijn, bijvoorbeeld als er twijfels zijn over de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens, de taalontwikkeling of als er aanwijzingen zijn voor neuropsychologische problemen die het leren kunnen bemoeilijken. Problemen in de executieve functies kunnen naast direct onderzoek bij het kind, ook in kaart gebracht worden via een ouderrapportage met de BRIEF. Verder kan een psychologisch onderzoek geïndiceerd zijn bij vragen over de sociaal-emotionele ontwikkeling. Sociale cognitie kan bijvoorbeeld getest worden met de Theory of Mind test-Revised (ToM test-R). Een psychologisch onderzoek brengt de sterke en zwakke kanten van een kind in kaart. Mede op basis van deze uitkomsten kunnen adviezen worden gegeven ten aanzien van schoolkeuze, didactische of pedagogische aanpak.

Voor kinderen met specifieke taalproblemen is het raadzaam om logopedisch onderzoek te laten verrichten en de talige en communicatieve capaciteiten in kaart te brengen met behulp van vragenlijsten (bijvoorbeeld de CCC-II-NL (Geurts, 2007) of de N-CDI (Zink & Lejaegere, 2003), dit zijn lijsten voor communicatieve ontwikkeling) of met behulp van tests voor taalbegrip, taalproductie of pragmatiek. De CIO, Communicatieve Intentie Onderzoek, is een observatie-instrument dat de intentie tot communiceren meet (Van der Meulen e.a., 2003). De ComVoor-2 geeft een indicatie van passende communicatieve interventies bij kinderen met een ontwikkelingsniveau van twaalf maanden tot en met 5 jaar (Verpoorten e.a., 2004).

Somatisch onderzoek

In de praktijk blijkt uitgebreid somatisch onderzoek maar zeer laagfrequent een onderliggende etiologische factor naar voren te brengen. Echter, bij sommige afwijkende ontwikkelingen of bij abrupte gedragsveranderingen en regressie is uitgebreid medisch onderzoek juist wel zinvol. Het is goed om alle voors en tegens (zowel qua belasting voor kind en ouder als kosten-baten) goed door te nemen, alvorens tot somatisch of klinisch-genetisch onderzoek over te gaan (Cohen & Volkmar 1997; Rutter & Taylor, 2002; Van der Veen-Mulders e.a., 2001). Het wordt altijd aangeraden om te (laten) controleren of een kind goed hoort en ziet. Ook is het nuttig te kijken naar syndromale kenmerken. Voor een richtlijn over de somatische anamnese en te verrichten standaard onderzoek verwijzen wij naar de richtlijn van de NVvP (2009).

Daarnaast bestaat er een samenhang tussen autisme en epilepsie (Jokiranta e.a., 2014). Onderzoek heeft aangetoond dat kinderen met autisme en epilepsie meer ASS-symptomen en daaraan gerelateerd gedrag vertonen dan kinderen met autisme en zonder epilepsie. Dit verschil kon voor een groot deel verklaard worden door de lagere IQ-score in de groep kinderen met epilepsie. Wanneer hiervoor wordt gecorrigeerd, blijft de hyperactiviteit in de groep kinderen met epilepsie hoger dan in de groep zonder epilepsie (Viscidi e.a., 2014).

Terug naar boven
Terug naar boven

https://www.nice.org.uk/guidance/cg128

NvvP (Werkgroep richtlijn autisme en aanverwante stoornissen bij kinderen en jeugdigen van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, in samenwerking met het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie). (2009). Richtlijn diagnostiek en behandeling autismespectrumstoornissen bij kinderen en jeugdigen. Utrecht, Nederland: de Tijdstroom.

Paul, R., Fuerst, Y., Ramsay, G., Chawarska, K., & Klin, A. (2011). Out of the mouths of babes: Vocal production in infant siblings of children with ASD. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 52, 588–598.

Posserud, M., Lundervold, A.J., Lie, S.A., Gillberg, G. (2008). The prevalence of autism spectrum disorders: Impact of diagnostic instrument and non-response bias. Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology, 45, 319-327.

Robins, D.L., Fein, D., Barton, M.L., & J.A. Green (2001). The Modified Checklist for Autism in Toddlers: an initial study investigating the early detection of autism and pervasive developmental disorders. Journal of Autism and Developmental Disorders, 31, 131-44.

Robins, D.L., & Dumont-Mathieu, T.M. (2006). Early screening for autism spectrum disorders: Update on the modified checklist for autism in toddlers and other measures. Journal of Developmental Behavioral Pediatrics, 27, 111-119.

Rogers, S. (2009). What are infant siblings teaching us about autism in infancy? Autism Research, 2, 125–137.

Rutter, M., & Taylor, E.A. (2002). Child and Adolescent Psychiatry. Oxford, UK: Blackwell Publishing.

Smith, I.M., Koegel, T.L., Koegel, L.K., Openden, D.A., Fossum, K.L., & Bryson, S.E. (2010) Effectiveness of a Novel Community-Based Early Intervention Model for Children With Autistic Spectrum Disorder. American Journal on Intellectual and Developmental Disabilities, 115(6), 504-523.

Skuse, D., Warrington, R., Bishop, D., Chowdhury, U., Lau, J., Mandy, W., & Place, M. (2004). The Developmental, Dimensional and Diagnostic Interview (3di): A Novel Computerized Assessment for Autism Spectrum Disorders. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 43, 548-558.

Spek, A.A. (2018). Diagnostiek van autismespectrumstoornissen bij vrouwen. Psyxpert, 1(4), 23-29.

Van Berckelaer-Onnes, L.A., & Hoekman, J. (1991). AUTI-R Schaal t.b.v. de onderkenning van vroegkinderlijk autisme: Handleiding en verantwoording. Amsterdam: Harcourt Test Publishers.

Van der Meulen, S., Slofstra-Bremer, C.F., & Lutje Spelberg. H.C. (2013). Communicatieve Intentie Onderzoek. Handleiding. Houten: Bohn Stafl eu van Loghum.

Van der Ploeg, J.D., & Scholte, E.M. (2014). Autisme Spectrum Vragenlijst (ASV). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.

Van der Veen-Mulders, L., Serra, M., Van den Hoofdakker, B., & Minderaa, R. (2001). Sociaal Onhandig. Assen, Nederland: Van Gorcum.

Verhulst F.C., & Verheij, F. (2009). Kinder- en Jeugdpsychiatrie: Onderzoek en diagnostiek. Assen, Nederland: Van Gorcum.

Verpoorten, R., Noens, I., & Van Berckelaer-Onnes, I. (2004). ComVoor: Voorlopers in Communicatie. Handleiding. Leiden: PITS B.V.

Viscidi, E.W., Johnson, A.L., Spence, S.J., Buka, S.L., Morrow, E.M., & Triche, E. W. (2014). The association between epilepsy and autism symptoms and maladaptive behaviors in children with autism spectrum disorder. Autism, 18(8), 996–1006. https://doi.org/10.1177/1362361313508027

Zink, I. & Lejaegere, M. (2003). N-CDI's: korte vormen, Aanpassing en hernormering van de MacArthur Short Form Vocabulary Checklist van Fenson et al. Leuven/Leusden: Acco.

Terug naar boven

Behandeling autisme

ESCAP richtlijn (2020) beschrijft tien algemene principes:

  • Pre-diagnose inventarisatie: Indien families in afwachting zijn van een formele diagnose van autisme, kan een gedetailleerde inventarisatie van de vaardigheden en uitdagingen in verschillende domeinen handvatten bieden.
  • Elke individu en familie is uniek: gebruik gestandaardiseerde maten en evidence-based methoden, maar houdt altijd rekening met de individuele cliënt en omstandigheden.
  • Focus op individuele sterke punten, niet alleen de beperkingen. Zo creëer je een positiever opvoedingsklimaat waar de sterke kanten kunnen worden ingezet ter ondersteuning bij de kanten die meer uitdaging vragen.
  • Interventies baseren op “functionele gedragsanalyses”. Inventariseer de functionele relatie tussen het gedrag en relevante omgevingsfactoren die het functioneren kunnen beperken.
  • Focus op het creëren van een “autisme vriendelijke” omgeving.
  • Effectieve behandelingen worden niet bepaald door een vaste hoeveelheid uren of sessies.
  • Heroverweeg de rol van de professional: de basisfunctie van de behandelaar of therapeut is niet het direct behandelen, maar vooral coachen van sleutelfiguren in de omgeving van het kind die de hele dag door therapeutische interventies kunnen doen.
  • Streef naar volledige participatie en inclusie in de samenleving.
  • Respecteer individuele rechten.
  • Streef naar een multidimensionaal hulpaanbod: Verdiep je in verwijsmogelijkheden en andere relevante hulpinstellingen.

Er zijn inmiddels veel therapieën en behandelingen ontwikkeld, maar voor de meerderheid ontbreekt bewijs voor de effectiviteit. Voor programma's met een gestructureerde omgeving met communicatieve ondersteuning (zoals in het TEACCH-programma) en voor gedragstherapeutische interventies (zoals ABA of afgeleiden daarvan) bestaat het meeste bewijs. Van Berckelaer-Onnes (2015) geeft een update van ontwikkelde CGT-programma’s voor behandeling van angst- en gedragsproblemen (inclusief problemen met sociale competentie). De programma’s zijn wetenschappelijk onderzocht en worden kritisch gevolgd. Bewezen effectieve behandelingen voor angst- en gedragsstoornissen worden steeds meer onderzocht met aanpassingen voor de autisme-populatie. Afhankelijk van de noodzaak en op welk gebied de meeste belemmeringen liggen, kan daarnaast aanvullende behandeling worden gegeven in de vorm van bijvoorbeeld fysiotherapie, logopedie, speltherapie, zelfredzaamheidtraining of gedragstherapeutische interventies voor specifiek gedrag (zoals zindelijkheidsproblemen, zelfbeschadiging, stereotypieën en boosheid). Sleutelbegrippen zijn in de meeste gevallen structuur, duidelijkheid en consequent zijn. Voor een overzicht van alternatieve therapieën, waarbij wetenschappelijke evidentie voor de werkzaamheid ontbreekt, verwijzen we naar Howlin (2005) en de richtlijn van de NVvP (2009). Voor informatie over de aanvullende behandeling met psychofarmaca bij autisme verwijzen we naar het hoofdstuk Medicatie.

Terug naar boven

Ik ben Speciaal) die online of gedeeltelijk online worden aangeboden.

Een andere methode waar onderzoek naar loopt, is Brain Blocks. Brain Blocks wordt ingezet als psycho-educatie bij autisme, waarbij het doel is om makkelijker te communiceren. Kinderen en jongeren met autisme krijgen meer inzicht in de gedachten en gevoelens van zichzelf en van de ander, en de omgeving in die van hen.

Geef me de 5 is een methodiek gericht op vijf pijlers: autisme begrijpen, positief contact, basisrust creëren, problemen oplossen en ontwikkeling bevorderen. Uit onderzoek hiernaar (Naber 2018) bleek op basis van een kleine populatie dat het welbevinden van de ouders als het functioneren van het gezin en de opvoedkwaliteiten van de ouders sterk toenamen.

Vroegtijdige gedragstherapieën

Onderzoek naar de effectiviteit van vroege, intensieve gedragstherapieën laat zien dat belangrijke winsten kunnen worden behaald op het gebied van taal- en cognitieve vaardigheden en adaptief gedrag (Dawson e.a., 2011; Estes e.a., 2015; Green e.a., 2010; Pickles e.a., 2016). Daarnaast kunnen comorbide aandoeningen verminderen. Door het kind en zijn of haar familie zo vroeg mogelijk te laten beginnen met behandeling en begeleiding, kan de problematiek worden verminderd en wordt de ontwikkeling van het kind bevorderd (Gezondheidsraad, 2009).

Applied Behavioral Analysis (ABA) is een intensieve gedragstherapie waarbij gedragsanalyses en conditioneringtechnieken gebruikt worden om de motivatie voor sociaal gedrag te bevorderen en de taalontwikkeling en adaptief gedrag te stimuleren. De ontwikkelingsgerichte behandeling is op het kind afgestemd, begint op vrij jonge leeftijd (rond 4 jaar) en is vaak intensief en langdurig. Ouders worden direct betrokken en er wordt met één-op-één interacties gewerkt die langzaam worden uitgebreid naar groepscontexten en meer alledaagse situaties.

Pivotal Response Treatment

Een voorbeeld van een behandelmethode die op jonge leeftijd kan worden gestart is Pivotal Response Treatment (PRT). PRT is een gedragstherapeutische behandeling gebaseerd op ABA-principes met als doel de sociale interactie, communicatie en andere adaptieve vaardigheden van jonge kinderen te verbeteren (Koegel & Koegel, 2006). De behandeling richt zich op kernvaardigheden zoals motivatie voor contact en sociaal initiatief nemen. Oudertraining is een essentieel onderdeel van PRT (Koegel & Koegel, 2006). Onderzoek heeft aangetoond dat gedragsproblemen bij jonge kinderen (gemiddeld 50 maanden) verminderen na een PRT-behandeling van 1 jaar (Smith e.a., 2010). Ook waren er verbeteringen te zien in de taalontwikkeling en een afname in autismesymptomen, maar alleen voor kinderen met een IQ hoger dan 50 (Smith e.a., 2010). PRT is een intensieve behandeling en kan daarom voor ouders soms niet haalbaar zijn. Het wordt aanbevolen om rendement en behoefte met ouders te bespreken. PRT is ook toe te passen voor oudere kinderen. Daarnaast kan PRT worden ingezet op gespecialiseerde kinderdagverblijven of MKD’s, zodat kinderen ook tijdens hun verblijf buitenshuis worden gestimuleerd in hun ontwikkeling.

Uit de praktijk blijkt dat we in Nederland geneigd zijn veel minder intensief te behandelen en ons meer te richten op PRT dan op de oorspronkelijke ABA-achtige methoden. In PRT wordt immers gebruik gemaakt van natuurlijk situaties waarin gewenst gedrag wordt uitgelokt, zonder dat kind en begeleider er specifiek voor hoeven te gaan zitten. PRT is een afgeleide van ABA en past beter in hoe we nu denken over autisme en over wat goed is voor kinderen en is haalbaarder in de dagelijkse praktijk van een gezin.

VIPP-AUTI

VIPP-AUTI (Video-feedback Intervention to promote Positive Parenting adapted to Autism) is een kortdurende thuisbegeleiding voor jonge kinderen (0 tot 6 jaar) met (een vermoeden van) een autisme en hun ouders. VIPP-AUTI heeft tot doel de kwaliteit van ouder-kind interacties zo vroeg mogelijk te bevorderen om sociaal-communicatieve vaardigheden van kinderen met autisme te vergroten. Het geprotocolleerde programma bestaat uit vijf huisbezoeken in een periode van 3 maanden. Een zorgprofessional bespreekt met ouders filmfragmenten van persoonlijke ouder-kind interacties in dagelijkse en spelsituaties. Ouders leren welke ASS-kenmerken, uit het brede spectrum, bij het individuele kind van toepassing zijn en te reflecteren op eigen reacties op het gedrag van het kind. Onderzoek heeft positieve effecten aangetoond van VIPP-AUTI in vergelijking met een standaard thuisbegeleiding zonder video-feedback, op de gebieden van ouderlijke opvoedingsvaardigheden en sociale communicatievaardigheden van het kind (Poslawsky e.a., 2015). VIPP-AUTI is door het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) erkend als effectief. Zie voor uitgebreide informatie: website van het NJi.

FloorPlay

FloorPlay is een praktische methode voor het werken met kinderen met uiteenlopende ontwikkelingsproblemen waaronder een autismespectrumstoornis of meervoudige beperking. De methode kan op individuele basis worden gebruikt door ouders en hulpverleners. In zorginstellingen biedt het een ontwikkelings- en contactgerichte methode van bejegening van cliënten. De FloorPlay opleiding is bedoeld voor ouders, begeleiders en hulpverleners van kinderen tussen de 0 en 7 jaar.

JASPER-training

De JASPER-training (Joint Attention Symbolic Play Engagement and Regulation) richt zich op het bevorderen van joint attention, spel en emotieregulatie bij jonge kinderen van 0-6 jaar met autisme, maar kan ook ingezet worden bij oudere kinderen (tot 10 jaar). De JASPER-training is oorspronkelijk in Amerika ontwikkeld (Kasari e.a., 2006). Ouders leren tijdens speelsessies met hun kind hoe zij joint attention en spelvaardigheden bij hun kind kunnen stimuleren, maar dit kan ook door een leerkracht of trainer uitgevoerd worden. Centraal tijdens de sessies staan het optimaal inrichten van de omgeving, imiteren en voordoen, het vaststellen van spelroutines, het uitbreiden van spelniveau en -diversiteit en het stimuleren van sociaal-communicatieve vaardigheden (waaronder joint attention). Sessies vinden één tot twee keer per week plaats en duren 30-60 minuten per sessie.

Oudertraining

De rol van de ouders is vaak erg belangrijk in de ondersteuning en begeleiding van een kind of jongeren met autisme, zoals al blijkt in voorgaand kopje Vroegtijdige gedragstherapieën. Structureel en primair aandacht voor de draaglast en draagkracht van ouders is daarom van belang. Wederzijds vertrouwen van professional en ouders kan hieraan bijdragen. Het hebben van een kind met autisme kan een forse belasting voor ouders zijn. Hulp aan ouders, door middel van trainingen en therapieën, en de haalbaarheid daarvan zal daarom altijd in overleg afgestemd moeten worden.

Er zijn verschillende behandelingen gericht op de ouders van kinderen met autisme, die zich vooral richten op het verminderen van gedragsproblemen. Een voorbeeld hiervan is Individuele oudertraining bij kinderen met autisme (zie ook: www.oudertraining-online.nl en Protocollaire Behandelingen voor kinderen en adolescenten met psychische klachten (Braet & Bögels, 2020). In deze training wordt aandacht besteed aan het analyseren van probleemgedrag en het verminderen ervan. Naar deze interventie is onderzoek gaande, waarbij een face-to-face-variant en een blended variant zullen worden vergeleken met een wachtlijstconditie. Uit internationaal onderzoek blijkt dat vergelijkbare trainingen effectief zijn (Postorino e.a., 2017) en effectiever dan het geven van even lange begeleiding waarin de behandelaar de ouders informatie geeft over autisme, maar geen specifieke aanwijzingen voor hoe men kan handelen bij gedragsproblemen (Bearss e.a., 2015).

Een meer intensieve benadering dan oudertraining is de Psychiatrische Gezinsbehandeling Autisme (PGA), gegeven door het dr. Leo Kannerhuis. PGA wordt in de thuissituatie ingezet bij gezinnen met een kind of jongere met autisme, waarbij de ouders ondersteuning nodig hebben bij het opvoeden of het omgaan met autisme. Het doel is het verbeteren van het gezinsfunctioneren en het vergroten van de draagkracht van het gezin. Op andere plekken wordt (vergelijkbaar) Intensieve Psychiatrische Gezinsbehandeling (IPG) gegeven aan gezinnen met kinderen van 0 tot 18 jaar, waarbij er sprake is van psychiatrische problematiek bij de kinderen of bij een van de ouders. Voor deze vormen van behandeling is echter weinig bewijs van effectiviteit. In de praktijk heeft oudertraining de voorkeur boven een onbewezen behandeling waarvan het effect niet aangetoond is.

Behandeling gericht op bijkomende problemen

Daarnaast zijn er verschillende behandelingen specifiek voor jongeren met autisme, bijvoorbeeld gericht op stemmingsproblemen of seksualiteit. Er is een bijvoorbeeld een gedragstherapeutisch programma ontwikkeld over stemming bij autisme (Schuurman, 2010). Voor het bevorderen van de psychoseksuele en puberteitsontwikkeling bestaat de Ik Puber-training. De effectiviteit van de training is onderzocht en aangetoond (zie www.ikpuber.nl; Visser, 2017).

Een voorbeeld van een agressietraining is Baas over Boos; BOB-training (Van der Gaag, 2009; Gevers & Clifford, 2009). Dit is een individuele emotieregulatietherapie met als doel het kind grip te leren krijgen op zijn of haar emoties

Mindfulness wordt soms als therapievorm toegepast om mensen met autisme te helpen meer rust te krijgen in hun hoofd (Spek, 2010). Onderzoek toont aan dat een op mindfulness gebaseerde behandeling depressieve klachten en angstklachten kan verminderen bij volwassenen met autisme (Spek e.a., 2013). Er is echter nog onvoldoende onderzocht of mindfulness ook effectief is bij jongeren met autisme. Drie kleine uitgevoerde onderzoeken bij adolescenten geven verbeteringen aan na een op mindfulness gebaseerde therapie in bijvoorbeeld sociale interactie, concentratie en agressievermindering, maar deze onderzoeken zijn beperkt door de grootte en het ontbreken van een controlegroep (Spek, e.a., 2013; Singh e.a., 2011a; Singh e.a., 2011b; Bögels e.a., 2008). Ridderinkhof en collega’s (2018) hebben 45 kinderen met autisme onderzocht en het blijkt dat dat na de mindfulness training de kinderen minder emotionele problemen en gedragsproblemen ervoeren, zoals angst, stress, en boos gedrag. De afnames waren twee maanden na de training het sterkst. Kinderen merkten geen verschil in mindfulle aandacht. Ouders gaven aan dat hun kinderen na de training minder sociale communicatie problemen, emotionele en gedragsproblemen hadden. Over zichzelf gaven ouders na de training aan dat zij meer mindful waren in de opvoeding, minder eigen emotionele en gedragsproblemen ervoeren, en minder stress over de opvoeding hadden. Opvallend is dat een groot deel van de verbeteringen voor kinderen en hun ouders ook een jaar na de training nog aanwezig waren.

Vaardigheidstrainingen op indicatie

ToM-training

Theory of Mind-training (ToM-training) is een sociale vaardigheidstraining voor kinderen van 9 t/m 12 jaar met autisme die moeite hebben zich te verplaatsen in de gedachten en gevoelens van anderen en die moeite hebben met het begrijpen van en omgaan met emoties en/of angstig en agressief zijn in sociale situaties. De ToM-training beoogt de ontwikkeling van het sociaal en emotioneel denken te stimuleren. De training wordt gegeven in groepsverband. Uit onderzoek blijkt dat kinderen met autisme na een ToM-training vooruitgegaan zijn in hun ToM-vaardigheden in een ToM-test (Begeer e.a., 2010), en ook in hun ToM-gedrag (De Veld e.a., 2017), maar dat hun sociale gedrag, begrip of empathische vaardigheden niet verbeterden (Begeer e.a., 2010). Wel vonden De Veld en collega’s (2017) dat ASS-symptomen afnamen, zoals gerapporteerd door ouders, die zelf betrokken waren bij de training (Begeer e.a., 2015).

NB. Bij een deel van de kinderen met autisme is ToM niet verstoord en bij een ander deel is het wellicht dermate onderdeel van de problematiek dat de vraag is of het te trainen valt. In ieder geval is onderliggend aan het concept van ToM één van de cognitieve theorieën van autisme, die niet allesverklarend is (geldt ook voor het model over executieve functies en zwakke centrale coherentie).

SOVA

Sociale vaardigheidstrainingen (SOVA-trainingen) worden in de klinische praktijk veel toegepast om alledaagse sociale vaardigheden te trainen, waaronder oogcontact maken, laten merken hoe je je voelt, complimenten geven en afspraken maken met leeftijdgenoten. SOVA-trainingen worden aangeboden voor verschillende leeftijdsgroepen, meestal te beginnen bij de hogere klassen van de basisschool, voor adolescenten en (jong)volwassenen. Het generaliseren van vaardigheden naar situaties buiten de training kan moeilijk zijn voor kinderen en jongeren met autisme. Hierop proberen de trainingen in te spelen door huiswerkoefeningen te geven. Een SOVA-training beoogt vaardigheden tijdens sociale interacties te verbeteren en daarmee het zelfvertrouwen van kinderen of jongeren met autisme vergroten (Laugeson e.a., 2012; Neef e.a., 2010; Tse e.a., 2007; Volkmar, 1998).

Uit wetenschappelijk onderzoek komt naar voren dat de gevonden effecten van SOVA-trainingen niet zo groot zijn als we hadden gehoopt (Dekker e.a., 2018). In twee recente studies bekeken de onderzoekers al het onderzoek dat er tot dat moment was gedaan (in een review) en berekenden ze de resultaten voor alle onderzoeksgroepen samen (in een meta-analyse). Daaruit bleek dat vooral sociale kennis verbeterde en dat daarmee de verandering tussen voor en na training te verklaren viel (Gates e.a, 2017; Wolstencroft e.a., 2018). Hoewel Gates en collega’s (2017) in een groter aantal studies (19) een matig effect van de training vond, toonden Wolstencroft en collega’s (2018) een groter effect aan in 8 studies. In Gates’ meta-analyse werden overigens ook gegevens meegenomen van de ToM-training die hierboven genoemd is. In het algemeen komt de PEERS-training (voor adolescenten en volwassenen) internationaal naar voren als de meest effectieve sociale vaardigheidstraining. Bovendien wordt aangeraden om in onderzoek uit te zoeken wat werkt voor welk kind (Wolstencroft e.a., 2018).

Uit Nederlands onderzoek komt een matig effect naar voren (Dekker et al, 2018; Deckers e.a., 2016) van de SOVA’s die hier worden gebruikt. Zelfs het volgen van 15 sessies, 3 opfrissessies en het toevoegen van 8 sessies met ouders om de generalisatie te bevorderen levert maar iets meer op dan care as usual (Dekker e.a., 2018). Het is dan ook van belang om in overweging te nemen of een SOVA voldoende opbrengt voor de investering die het kind, ouders en behandelaars doen. Onderzoek naar welke factoren bijdragen aan het profiteren van een SOVA is in volle gang. Onderzoek naar betere maten om de effecten van SOVA te meten ook.

Voor het stimuleren van de sociale zelfredzaamheid worden regelmatig vaardigheidstrainingen ingezet. Deze trainingen bevorderen de zelfstandigheid in alledaagse taken, zoals zelfverzorging, reizen met openbaar vervoer of op de fiets, en omgaan met geld. Voor het vergroten van de sociale redzaamheid bestaan ook e-health-toepassingen.

E-health

Er zijn verschillende online behandelingen ontwikkeld voor de behandeling van autisme bij kinderen. Therapieën kunnen erg intensief zijn voor kinderen en jongeren. Overleg daarom goed over haalbaarheid daarvan, eventueel ook met ouders.

Cogmed

De digitale versie van Cogmed traint executieve functies bij kinderen vanaf vier jaar door een serie gecomputeriseerde werkgeheugentrainingen en concentratietrainingen. Het programma wordt uitgegeven door Pearson Assessment and Information B.V. Er is op dit moment een studie gaande naar het effect van Cogmed op werkgeheugen, executief functioneren, schoolprestaties en gedrag.

Braingame Brian

Braingame Brian is geen evidence-based behandeling voor autisme (De Vries e.a., 2015). Het computerspel Braingame Brian richt zich naast training van het werkgeheugen ook op cognitieve flexibiliteit en het remmen van gedrag. Het spel is bedoeld voor kinderen tussen de acht en twaalf jaar. De stichting Gaming and Training verzorgt de implementatie van het spel.

DISCoVR

Vanuit de Yulius Academie en Yulius Autisme wordt momenteel onderzoek gedaan naar DISCoVR. DISCoVR is een Dynamische Interactieve Sociale Cognitie Virtual Reality training voor jongvolwassenen met autisme. Met deze VR behandeling wordt generalisatie van kennis en sociale vaardigheden beter mogelijk gemaakt. De behandeling is blended-care: een behandelaar is nodig, omdat de VR behandeling gebaseerd is op CGT en de VR apparatuur ingezet wordt als extra tool.

ToM-e

De ToM-e training is een blended training die kinderen helpt om zich beter in te kunnen leven in anderen. De training bestaat uit acht wekelijkse groepsbijeenkomsten en verschillende oefeningen via het online platform ‘Jouw Omgeving’. Kinderen volgen een digitale ‘superheldentraining’, waarbij ze missies uitvoeren en gadgets verdienen. De ToM-e training is een deels digitale versie van de bewezen effectieve ToM-training (Steerneman, 2012; Begeer e.a., 2015).

Ter ondersteuning van kinderen en jongeren met autisme zijn er diverse applicaties ontwikkeld. Hieronder staan een aantal voorbeelden (de effectiviteit van deze apps is voor zover bekend niet wetenschappelijk onderzocht):

  • DayMate: een prikkelarme app voor dagindeling voor iPhone/iPad en Android. Gemaakt door de moeder van een jongen met autisme. Je kunt activiteiten aanmaken met een start- en eindtijd, en aangeven op welke dagen van de week ze voorkomen. Je kunt een van de speciaal voor deze app ontworpen iconen erbij kiezen.
  • PictogramAgenda: Dagritmekaarten/stappenplannen met eigen picto's/foto's voor Android.
  • MijnEigenPlan: app voor stappenplannen voor dagelijkse terugkerende handelingen.
  • PictoPlace Viewer: planningssysteem dat je kunt gebruiken voor de dagplanning.
  • Sclera/Iris visualisaties heeft een overzicht van picto-applicaties voor PC en Mac.
  • Kids Timer: een 'keukenwekker' die je visueel terug ziet lopen.
Terug naar boven

Beter pASSend’ van de Bascule, waarbij onderwijs wordt aangeboden aan kinderen in de basis- en middelbare schoolleeftijd. Een ander voorbeeld is het volgen van school door kinderen thuis via de computer, zoals De Piloot aanbiedt. Accare heeft bovendien een ‘schoolpoli’ waar deskundigen vanuit de zorg meedenken over zorg aan leerlingen met autisme binnen hun schoolomgeving. Verschillende aan de GGZ verbonden scholen hebben programma’s voor kinderen die uitgevallen zijn op school.

Voor een beter beeld van hoe het is om niet naar school te kunnen vanuit het perspectief van de 'thuiszitters', lees ook: Dit ben ik. Portretten van thuiszitters.

Voor meer informatie over autisme in het onderwijs verwijzen wij u graag naar onze pagina voor scholen.

Terug naar boven

Sociale Verzekeringsbank is informatie te vinden over persoonsgebonden budget (PGB) in het algemeen. Voor kinderen tot 18 jaar geldt: PGB wordt toegekend en betaald door de eigen gemeente vanuit de Jeugdwet.

Nadat er een zorgovereenkomst met de gekozen zorgverlener is gesloten wordt het (persoonsgebonden) budget bij de Sociale verzekeringsbank ondergebracht en die betalen de zorgverlener uit.

PerSaldo is een hulporganisatie die hulp kan bieden, bijvoorbeeld bij een PGB aanvraag.

Veel gemeentes geven de voorkeur aan Zorg In Natura (ZIN). Dan bepaalt de gemeente, welke zorgorganisatie of leverancier de zorg of voorziening levert.

Soms is langdurige zorg nodig en wordt deze toegekend vanuit de wlz (wet langdurige zorg), de indicatie hiervoor wordt door het CIZ afgegeven.

Om meer informatie te krijgen over PGB of ZIN kan men over het algemeen terecht bij de eigen gemeente.

Begeleid en/of beschermd wonen

Begeleid wonen is onder andere mogelijk bij ouderinitiatieven zoals De Grasboom en De Bastide, of diverse lokaties van Autismewoon van het Regionaal Autisme Centrum. MEEwoonwinkel heeft een overzicht van woningaanbod voor jongeren (vanaf 18 jaar) met een beperking. Zie voor overige initiatieven ook sociale kaarten per gemeente.

Beschermd wonen loopt via de gemeente en valt onder jeugdhulp of wlz. Er zijn verschillende mogelijkheden, afhankelijk van de situatie.

Terug naar boven

http://hdl.handle.net/1765/102896

Volkmar, F. (1998). Autism and Pervasive Developmental Disorders. In: D. Cohen & F.R. Volkmar (Eds.). Handbook of autism and pervasive developmental disorders (pp. 489-498). New York: Wihley.

Wheeler, M. (2004). Toilet training for Individuals with Autism & Related Disorders. A comprehensive guide for parents & teachers. Arlington, Texas: Future Horizons.

Wolstencroft, J., Robinson, L., Srinivasan, R., Kerry, E., Mandy, W., & Skuse, D. (2018). A Systematic Review of Group Social Skills Interventions, and Meta-analysis of Outcomes, for Children with High Functioning ASD. Journal of Autism and Developmental Disorders, 48, 2293–2307.

Terug naar boven

Medicatie autisme

  • aripiprazol of pipamperon. Echter dient er eveneens voorzichtig met antipsychotica omgegaan te worden, gezien de langetermijneffecten bij kinderen en jeugdigen (Ray et al., 2019). Wanneer medicatie gecombineerd wordt met oudertraining valt een groter effect te verwachten, waarbij mogelijk lager gedoseerd kan worden. Eveneens heeft in potentie methylfenidaat een plek in de behandeling van disruptief gedrag bij kinderen en jeugdigen met ADHD (Gadow etal., 2016), in combinatie met oudertraining. Hierin wordt eveneens gesuggereerd dat risperidon is aangewezen in onhandelbare agressiviteit. Hoewel de evidentie van langetermijnbehandeling van disruptief gedrag en agressiviteit met risperidon gering is, blijkt uit de praktijk dat een behandeling langer dan 6 weken met een laag gedoseerd antipsychoticum baat kan hebben bij disruptief gedrag en agressiviteit voortkomend uit zintuiglijke overprikkeling. Met dit laatste worden de symptomen die in cluster B punt 4 van de DSM-5 vermeld staan bedoeld.
  • Bij ADHD-symptomen is methylfenidaat de eerste keus en dexamfetamine de tweede keus. Hoewel patiënten met autisme sneller reageren met bijwerkingen op psychostimulantia (en dit geldt temeer bij kinderen met een verstandelijke beperking) is dit toch de beste optie gezien de grote ervaring met deze middelen, de snelle werking en de reversibiliteit na staken. Atomoxetine en vervolgens clonidine of guanfacine komen in aanmerking bij onvoldoende effect van de psychostimulantia op symptomen van hyperactiviteit en impulsiviteit.Er valt dan ook te denken aan risperidon, aripiprazol of pipamperon, zeker wanneer er tevens sprake is van (ernstige) agressie. In de praktijk wordt er eventueel ook een antipsychoticum ingezet indien de drukte en aandachtsdeficiëntie voortkomen uit zintuiglijke overprikkeling.
  • Bij comorbide angst-en depressie zonder agressie komen fluoxetine, fluvoxamine en citalopram in aanmerking. Een nadeel is het vaak optreden van gedragsactivatie. Tweede stap is in dat geval risperidon of pipamperon. Indien er sprake is van angst door zintuiglijke overprikkeling, bijvoorbeeld moeite met in slaap komen, hallucinatoire belevingen, dan blijken antipsychotica in de praktijk eveneens een keus te zijn
  • Bij interfererend repetitief gedrag en dwangmatigheid komen fluoxetine en fluvoxamine in aanmerking. Nadeel is het vaak optreden van gedragsactivatie. Bij onvoldoende effect is vervolgens risperidon te overwegen of aripiprazol, en daarna pipamperon. Eveneens kan dit in de praktijk gegeven worden indien er sprake is van toename van rituelen of obsessies door aanhoudende zintuiglijke overprikkeling. Bij therapieresistente patiënten kunnen valproïnezuur en carbamazepine als laatste keusmiddelen gegeven worden. Interfererend repetitief gedrag en dwangmatigheid zijn moeilijk behandelbaar.
  • Gewichtstoename en verstoringen in het lipiden-en glucosemetabolisme (metabool syndroom) zijn de belangrijkste bijwerkingen van de atypische antipsychotica. Binnen het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie zijn consensusbesprekingen gevoerd en is besloten om het protocol van Accare 'Monitoring op metabole en endocriene bijwerkingen van antipsychotica bij kinderen en jongeren' landelijk te volgen, naast het meten van bloeddruk en pols. Hierin wordt geadviseerd altijd de BMI te monitoren en wanneer er sprake is van familiaire hypercholesterolemie of overgewicht regelmatig glucose en lipiden te controleren. Bij verhoogd lichaamsgewicht moet de lipidenspiegel geprikt worden. Klassieke antipsychotica kunnen toegepast worden bij metabole risicofactoren, al dan niet als gevolg van behandeling met atypische middelen. Dit dient echter gereserveerd te worden voor extreme gevallen. Bij klassieke antipsychotica is er kans op het optreden van dyskinesieën, ook bij lage doseringen.
  • Na 6-12 maanden evalueren of stoppen met medicatie. In overleg met ouders en verzorgers kan geprobeerd worden in een stabiele periode de medicatie langzaam af te bouwen. In de praktijk gebeurt dit te weinig. Er dient geëvalueerd te worden of medicatie nog steeds nodig is.

Flowchart medicatie bij autisme

Klik op de afbeelding voor een grotere weergave.

Flowchart medicatie bij autismespectrumstoornissen
Terug naar boven

aripiprazol, na 24 weken behandeling effectiever dan medicatie alleen voor het verminderen van disruptief gedrag. Uit ander onderzoek blijkt dat de samenvoeging van gedragsmatige interventies en antipsychotica de meest effectieve aanpak in het verminderen van agressief gedrag bij jongeren met autisme (Frazier et al., 2010). Bij beide studies bleek er lager gedoseerd te kunnen worden in de combinatiegroep (Frazier et al., 2010; Aman et al., 2009).

De huidige beschikbare geneesmiddelen hebben geen van allen primair effect op de sociale en communicatieve kernsymptomen van autisme. Wel kan medicatie vermindering geven van de vaak met autisme geassocieerde gedragsproblemen, en daarmee de ontvankelijkheid van het kind vergroten voor niet-medicamenteuze interventies (op school en werk, als ondersteuning bij het aanleren van gewenst gedrag). De effectiviteit van psychofarmaca bij autisme is aangetoond voor de volgende vier symptoomclusters: disruptief gedrag (niveau 1), ADHD symptomen (niveau 2), angst-en depressie (niveau 2) en interfererend repetitief/dwangmatig gedrag (niveau 2). Er is daarbij overlap wat betreft het indicatiegebied van de verschillende typen medicatie: antipsychotica hebben bijvoorbeeld zowel effect op agressie en hyperactiviteit als op repetitief en dwangmatig gedrag. Primair wordt gekozen om het hoofdsymptoom te behandelen dat het meeste lijden en/of stagnatie geeft. Bij voorkeur door één of in ieder geval zo min mogelijk middelen, waarbij mogelijk één middel ingezet kan worden voor meerdere aanwezige symptomen. In de hierna volgende tekst wordt een overzicht gegeven van RCT's en open studies, spaarzaam aangevuld met klinische casuïstiek en ervaringen uit de klinische praktijk. Zelden gebruikte psychofarmaca zijn niet opgenomen in de bespreking.

Terug naar boven

aripiprazol op disruptief gedrag werd onderzocht bij 25 kinderen met ASS. Na 14 weken was er respons bij 88% van de kinderen, met in 36% van de gevallen milde EPS-symptomen. Ook dit atypische antipsychoticum bleek gewichtstoename te geven, af te leiden uit een significante toename van Z BMI-scores (Stigler et al., 2009).

De kortetermijneffectiviteit van aripiprazol vs placebo werd bevestigd in een RCT bij 218 kinderen met autisme (leeftijd 6-17 jaar). Na 8 weken was er op de ABC irritability subschaal een significante vermindering van 13,2 in de aripiprazol groep vs 8,4 in de placebogroep. Ook in deze studie trad bij doseringen tussen 5 en 15 mg na 8 weken een significante gewichtstoename op van 1,5 kg in de aripiprazol groep vs. 0,3 kg in de placebogroep.

Overige antipsychotica

Onderzoek uit de tachtiger jaren liet zien dat klassieke middelen zoals haloperidol en pimozide een gunstig effect kunnen hebben bij patiënten met ASS (Campbell et al., 1982; Naruse et al., 1982, Anderson et al., 1984). De toepassing van deze middelen is echter beperkt gebleven vanwege de hoge incidentie van acute en tardieve dyskinesieën bij doseringen van 1 tot 2 mg per dag (Campbell et al., 1997; Goel et al., 2018). Om deze reden heeft het onderzoek zich vanaf de jaren negentig toegespitst op de atypische antipsychotica. Open studies en soms alleen case reports zijn gepubliceerd bij clozapine (Zuddas et al., 1996) en ziprasidon (McDougle et al., 2002; Malone et al., 2007). Olanzapine is in enkele open label studies onderzocht (Malone et al., 2001; Kemner et al., 2002; Potenza et al., 1999) en in een kleine RCT (Hollander et al., 2006a). In deze studies naar de effecten van olanzapine werd een grote variatie in het percentage responders gevonden: tussen de 12% en 86% van de proefpersonen vertoonde een positieve respons. Wat betreft pipamperon is er geen gepubliceerd onderzoek aangaande ASS beschikbaar, maar in de praktijk is dit middel wegens de langdurige klinische ervaring bij ernstige gedragsproblemen nog steeds van belang. Quetiapine werd niet effectief bevonden in kleine open studies (Martin et al., 1999; Findling et al., 2004) en matig effectief (40% responders) in een retrospectieve studie bij ambulante patiënten in de leeftijdsgroep van 5 tot 28 jaar, met in 50% van de gevallen bijwerkingen (Corson et al., 2004).

Gebruiksgemak

Risperidon en pipamperon zijn wegens hun verkrijgbaarheid in vloeistof eenvoudig te titreren, waarbij met zeer lage doseringen gestart kan worden. Tevens kan de toediening in druppels voordeel opleveren bij patiënten die problemen hebben met het doorslikken van tabletten en/of capsules.

Toepasbaarheid

De antipsychotica zijn effectief bij disruptief gedrag, hyperactiviteit, interfererend repetitief gedrag en dwangmatigheid, tics en (dreigende) psychose. De leeftijd waarbij risperidon is onderzocht varieert van 3 tot 17 jaar oud (McDougle et al., 2008) met 18 maanden als laagste ontwikkelingsleeftijd,(Stigler et al., 2004a).

Overige farmacotherapeutische overwegingen

In de praktijk komt het regelmatig voor dat het ene antipsychoticum niet helpt (of teveel bijwerkingen geeft) terwijl vervolgens een ander middel binnen deze groep wel voldoende gunstige effecten sorteert. Risperidon is het eerstekeusmiddel bij ASS-patiënten; tweede keus is aripiprazol of pipamperon. Er wordt vaak geswitcht tussen risperidon en aripiprazol. De keuze voor aripiprazol als eerste middel kan afhangen van de mate van overgewicht of wanneer risperidon een prolactinestijging veroorzaakt. Clozapine is laatste keus, omdat regelmatige bloedcontroles noodzakelijk zijn, wat ongewenst is in deze populatie en zou overwogen kunnen worden indien er sprake is van psychose. Een typisch antipsychoticum als haloperidol is te overwegen bij fors overgewicht en verstoringen in het lipiden-en glucosemetabolisme (metabool syndroom) al dan niet als gevolg van behandeling met atypische middelen. In de praktijk is het bij de keuze van middelen vaak moeilijk laveren tussen de twee 'kwaden' EPS (vooral typische middelen) versus metabool syndroom (vooral atypische middelen). Helaas zijn de enige twee publicaties bij kinderen met ASS waarin risperidon direct vergeleken werd met haloperidol van mindere kwaliteit: het aantal proefpersonen was klein, inclusiecriteria voor doelsymptomen ontbraken en er werd geen primaire uitkomstmaat gedefinieerd (Miral et al., 2008; Gencer et al., 2008). Hierdoor zijn er geen eenduidige conclusies te trekken uit dit onderzoek. De keuze tussen de atypische middelen kan afhangen van de mate van de gewichtstoename, het kostenaspect en overige diagnosecategorieën. Gewichtstoename treedt op, in afnemende reeks, bij: clozapine, olanzapine, risperidon, quetiapine, ziprasidon en aripiprazol, (Stigler et al., 2004a; Yoon et al. 2016). De plaats van pipamperon in dit rijtje is onduidelijk. Aripiprazol lijkt wat betreft korte-termijn-effecten op disruptief gedrag even werkzaam als risperidon, met als belangrijk voordeel minder gewichtstoename (Correll et al., 2009). Daarmee zijn er goede argumenten om aripiprazol op dit moment als tweedekeusmiddel naar voren te schuiven. Hierbij dient wel rekening te worden gehouden met de hogere kosten van dit middel. Pipamperon kan daarnaast gehandhaafd blijven vanwege de zeer ruime klinische ervaring.

Het advies is om na 6-12 maanden steeds te evalueren of medicatie nog noodzakelijk is. Het wordt aanbevolen om in overleg met ouders/verzorgers de medicatie in een stabiele periode langzaam af te bouwen. Het verdient hierbij de voorkeur ook effectmaten te gebruiken. Bij langzame afbouw kan in geval van terugval zo nodig de medicatie weer worden opgehoogd.

Terug naar boven

venlafaxine (Hollander et al., 2000), citalopram (Namerow et al., 2003; McPheeters et al., 2011), een zwak positief effect van mirtazapine (Posey et al., 2001) en een matig effect van fluvoxamine (Martin et al., 2003). Tot op heden zijn er twee RCT’s aangaande SSRI’s bij ASS gepubliceerd. Hollander et al. (2005) vond een gunstig effect bij fluoxetine(gemiddeld 0,4 mg/kg) en daarbij geen significante bijwerkingen vergeleken met de placebogroep (Goel et al. 2018). In een recente multi-center RCT werd het effect van citalopram gedurende 12 weken bij kinderen met ASS en een hoge mate van repetitief gedrag onderzocht. Geconcludeerd werd dat er geen effect was t.o.v. de placebo-groep. Verder was het gebruik van citalopram significant vaker geassocieerd met bijwerkingen (King et al., 2009, Goel et al. 2018).Te concluderen valt dat SSRI’s bij kinderen en jeugdigen mogelijk een gunstig effect op bepaalde aspecten van ASS kunnen hebben, maar dat regelmatig onacceptabele bijwerkingen optreden (Vasa et al., 2014). Afgaande op het afwezige effect van citalopram op repetitief gedrag is de werkzaamheid van SSRI’s op dit domein vooralsnog teleurstellend. Bij volwassenen bestaan er voor clomipramine, fluvoxamine en sertraline enige aanwijzingen voor positieve effecten.

Toepasbaarheid

Er zijn enige aanwijzingen dat SSRI’s gunstige effecten kunnen uitoefenen op angst-, dwang- en depressiesymptomen in het kader van ASS (McDougle et al., 2000; Namerow et al., 2003; Kolevzon et al., 2006). Afgaande op het afwezige effect van citalopram op repetitief gedrag is werkzaamheid van SSRI’s op dit domein vooralsnog teleurstellend (King et al., 2009). SSRI’s zijn het meest onderzocht in de leeftijdsgroep van 5 tot 18 jaar oud. Ook zijn zij onderzocht bij kinderen met een verstandelijke beperking en is er een studie gedaan bij kinderen vanaf 2 jaar (DeLong et al., 2002).

Overige farmacotherapeutische overwegingen

De onderbouwing voor het gebruik van een antidepressivum bij ASS is vooralsnog zwak. Indien gekozen wordt voor deze groep middelen, kan op grond van het open onderzoek gekozen worden voor fluoxetine of fluvoxamine. Door het veelvuldig voorkomen van bijwerkingen moet in het begin zeer laag gedoseerd worden en zorgvuldig worden gecontroleerd bij het titreren van de dosis. Bij de keuze van een SSRI bij ASS zijn te verwachten interacties, gemak van doseren in verband met toedieningsvorm (druppels), werkingsduur van belang. Uit een retrospectief cohortonderzoek is gebleken dat gebruik van SSRI’s en SNRI’s in vergelijking met gebruik van fluoxetine geassocieerd is met een verhoogd risico op suïcide (Cooper, et al., 2013).

Terug naar boven

risperidon aangewezen. Oudertraining is in beide gevallen van belang.

Toepasbaarheid

Een belangrijk voordeel is de al meer dan 70 jaar bestaande ervaring met de psychostimulantia waarbij de veiligheid en effectiviteit in minstens 160 RCT’s is onderzocht. Methylfenidaat is bovendien één van de weinige psychofarmaca die (voor de indicatie ADHD) geregistreerd is voor kinderen. Een ander voordeel is de snelle werkzaamheid.

Terug naar boven

atomoxetine op ADHD symptomen bij kinderen met ASS werd in ongeveer 2/3 van de gevallen een klinisch relevante response gezien (Troost e.al., 2006b; Posey et al., 2006). Arnold et al. (2006) voerden de eerste RCT uit naar de effectiviteit en veiligheid van atomoxetine bij kinderen met ASS en ADHD. In deze placebogecontroleerde crossover trial met 16 kinderen (5-15 jaar) bleek atomoxetine superieur ten opzichte van placebo wat betreft vermindering van hyperactiviteit en impulsiviteit. Er waren geen significante verschillen waar te nemen op de ‘inattentive’ symptomen. Een RCT bij 97 jeugdigen met ASS en ADHD toonde aan dat atomoxetine vergeleken met placebo een significant effect heeft op ADHD-symptomen, vooral op het gebied van hyperactiviteit en niet globaal functioneren (Harfterkamp, et al., 2012). Combinatietherapie bestaande uit atomoxetine gebruik en oudertraining resulteerde in de relatief grootste verbetering van ADHD symptomen, gevolgd door monotherapie atomoxetine vergeleken met placebo en oudertraining alleen (Smith et al., 2016).

Een multisite, gerandomiseerde clinical trail gaf te kennen dat extended release guanfacine veilig lijkt te zijn en effectief in het reduceren van hyperactiviteit, impulsiviteit en concentratieproblemen in kinderen met ASS (Scahill et al., 2015, Politte et al., 2018, Stepanova et al., 2017). Echter, vervolgonderzoeken zijn nodig.

Gebruiksgemak

Atomoxetine is sinds januari 2004 bij kinderen geregistreerd voor de indicatie ADHD, maar wordt door de meeste ziektekostenverzekeraars nog niet geheel vergoed.

Toepasbaarheid

Clonidine kan matig effectief zijn bij overprikkeld en hyperactief gedrag bij patiënten met een ernstige ASS. Atomoxetine bij ADHD-symptomen in het kader van ASS lijkt op grond van een eerste RCT veelbelovend voor vermindering van hyperactiviteit en impulsiviteit, zonder echter positieve effecten op de concentratie. Bijwerkingen zijn mild en voornamelijk van gastro-intestinale aard. Grotere placebogecontroleerde studies met een parallel design zijn aangewezen om te komen tot een definitieve plaatsbepaling van atomoxetine bij kinderen met ASS.

Naar aanleiding van een meta-analyse (Wooltorton, 2005) is een melding gekomen van mogelijk toegenomen suïcidaal gedrag bij kinderen en adolescenten die atomoxetine gebruikten, hoewel dit als een ongewone en zelden voorkomende bijwerking bij atomoxetine onder kinderen en adolescenten met ADHD door Reed, et al. (2016) wordt beschreven.

Terug naar boven

valproaat een significant effect ten opzichte van placebo bij de behandeling van repetitief gedrag (Hollander et al., 2006b; Goel et al. 2018). Levetiracetam bleek niet effectief in een RCT (Wasserman S et al., 2006). Ook lamotrigine bleek in een dubbelblind onderzoek niet werkzaam (Belsito et al., 2001). Op grond van deze studies kunnen valproïnezuur of carbamazepine als laatste keus bij therapieresistente patiënten gegeven worden.

Andere studies zijn verricht naar het effect van naltrexon (opiaatantagonist), buspiron (anxiolyticum), amantadine (dopamine agonist en NMDA antagonist) en secretine (dunne darmhormoon met effect op alvleesklier secretie). Hieruit bleek dat naltrexon alleen een bescheiden gunstig effect heeft bij teruggetrokken autistische kinderen, die in vlagen hyperactief zijn (Buitelaar et al., 2000). Uit een systematische review bleek dat naltrexon de hyperactiviteit en rusteloosheid verbetert maar was er niet voldoende bewijs dat het een impact heeft op de kernsymptomen van ASS. Dit was het geval bij de meerderheid van de deelnemers (Royet al., 2015).

Na initiële bemoedigende kleine studies bleek buspiron in een groter dubbelblind onderzoek niet effectief te zijn als anxiolyticum bij angststoornissen (niet-gepubliceerde studie, het resultaat werd wel opgenomen in de Amerikaanse bijsluitertekst (website FDA). Dit maakt het onwaarschijnlijk dat het middel bij ASS een effectief middel is. Echter bleek er in een gerandomiseerde trial dat laaggedoseerde buspiron wellicht nuttig kan zijn als additieve therapie voor restrictief en repetitief gedrag bij kinderen met ASS (Chugani et al., 2016).

Amantadine lijkt een bescheiden effect te kunnen hebben op hyperactiviteit bij autistische kinderen (King et al., 2001). Tevens wordt gesuggereerd dat amantadine als potentieel additief bij therapie met risperidon zou kunnen dienen in de behandeling van ASS (Mohammadi, et al. 2013).

Melatonine verkort de inslaaptijd en verlengt waarschijnlijk de slaaptijd bij kinderen en jeugdigen met gevarieerde problematiek, waaronder kinderen met ASS (Paavonen et al., 2003). Mogelijk werkt melatonine via herstel van een verstoord circadiaan ritme, hoewel ook slaapproblemen verbeteren die hier los van lijken te staan (Gordon, 2000).

Naar aanleiding van een kleine open studie met vervolgens veel positieve berichten in de pers en internet, is secretine op een dubbelblind placebogecontroleerde manier onderzocht bij grote groepen kinderen. Er kon nimmer een (klinisch) significant effect gerapporteerd worden, niet van éénmalige injecties, noch van herhaalde injecties (Levy, 2002; Owley et al., 2001). Over vitamine B6 en magnesium zijn enkele dubbelblinde studies verricht in de tachtiger jaren. De interpretaties van de betekenis van deze studies is beperkt en voor de klinische praktijk is er dan ook tot op heden geen reden tot het voorschrijven van grote hoeveelheden vitamines. Over het multivitaminepreparaat ‘Supernu’ bestaan geen wetenschappelijke publicaties. DiMethylGlycine (dieetsupplement) was onderwerp van twee dubbelblind placebogecontroleerde studies (Bolman et al., 1999; Kern et al., 2001). Beide studies konden geen (klinisch) significant effect aantonen.

Terug naar boven
Terug naar boven

Expertgroep autisme

De expertgroep in 2012 bestond uit:

  • Cisca Aerts, kinder- en jeugdpsychiater, dr. Leo Kannerhuis
  • Annelies de Bildt, psycholoog, wetenschappelijk onderzoeker, research psychologist, Accare
  • Patricia Bokhorst, teamcoördinator diagnostiek- en observatieteams, de Bascule
  • Yvette van Buuren, Nederlandse Vereniging voor Autisme
  • Cassandra Clauser, gz-psycholoog, researcher, hoofd polikliniek ASS, de Bascule
  • Carolien Gevers, vrijgevestigd klinisch psycholoog
  • Kirstin Greaves-Lord, assistent professor, Erasmus MC
  • Wouter Groen, kinder- en jeugdpsychiater, Karakter
  • Marian Hansen, GZ-psycholoog, Yulius
  • Natasja van Lang, senior researcher, Curium-LUMC
  • Anneke Louwerse, orthopedagoog Yulius, PhD-student en orthopedagoog Erasmus MC
  • Pieter de Nijs, kinder- en jeugdpsychiater, Erasmus MC
  • Matt van der Reijden, kinder- en jeugdpychiater, Leo Kannerhuis
  • Sylvia Rozeboom, manager jeugdbehandelzaken, De Jutters
  • Ad van der Sijde, (kinder- en jeugd)psychiater, directeur ASS Yulius
  • Stance Venderbosch, Nederlandse Vereniging voor Autisme
  • Marleen Verplancke, gz-psycholoog poli ASS, Yulius
  • Sjoukje van Warners, gz-psycholoog, gedragstherapeut, Accare

De expertgroep in 2006 en 2010 bestond uit:

  • Cees Ketelaars, (kinder)psychiater en hoofd behandelzaken Autisme, Dimence
  • Bertine Lahuis, kinder- en jeugdpsychiater, voorzitter raad van bestuur Karakter
  • Marike Serra, senior advisor bij Accare Child and Adolescent Psychiatry University Centre, Accare
  • Pieter Troost, kinder- en jeugdpsychiater, de Bascule
Terug naar boven

Online scholing DSM-5 Accare: Autisme (ASS)

Website Autisme Jonge Kind

De website Autsime Jonge Kind ondersteunt ouders en professionals bij het vinden van passende zorg bij autisme, of het vermoeden van autisme.

Sterke Kanten (video)

Drie korte filmpjes over Jack, Selwa & Aya, Tolga, allemaal kinderen met autisme in verschillende fasen van hun leven. De ouders vertellen openhartig over het leven van hun kinderen en hun leven met elkaar.

Toolkit allochtone kinderen met autisme

Een toolkit voor hulpverleners met aanbevelingen om diagnostiek en behandeling van allochtone kinderen te verbeteren.
>> Boon toolkit

    Reageren

    Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

    Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

    De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

    Sluiten